We spraken met botonderzoekers die zelfs de reisgeschiedenis kunnen bepalen

Deel VII: Op bezoek bij fysisch antropoloog Liesbeth Smits en forensisch antropoloog Tristan Krap. Het gaat deze keer over het verschil tussen lijken en skeletten.
26 december 2016, 10:00am
Illustratie Manuel de Jong

Van vers lijk tot skelet. Een grote woningbrand waarbij de bewoner om het leven komt. Onderzoek, begrafenis, rouw.

Fast forward naar jaren later: de vrouw van het slachtoffer wordt plots verdacht van moord, maar op de plek van de afgebrande woning staat al lang een nieuw huis, met daarin nieuwe bewoners. Van de man rest niets dan verkoolde botten in zijn graf.

Wat te doen?

Een forensisch antropoloog optrommelen!

Uit wat botfragmenten en een halve schedel kan een forensisch antropoloog verrassend veel opmaken. In het bovenstaande geval bijvoorbeeld messteken, botfracturen, uitgeslagen tanden: het brandslachtoffer bleek niet slechts het slachtoffer van een brand.

Maar hoe dan? Hoe kun je uit verbrande botfragmenten opmaken wat er nou eigenlijk gebeurd is? Ik ging langs bij twee botspecialisten die me alles konden vertellen over dergelijke toverkunsten. De één is fysisch antropoloog en docent bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), de ander is zelfstandig forensisch antropoloog: respectievelijk Liesbeth Smits van de Universiteit van Amsterdam en Tristan Krap, onder meer werkzaam bij het Academisch Medisch Centrum.

"Bij een lijkvinding gaat het ofwel om een vers lijk, ofwel om een lijk in ontbinding," zegt Tristan Krap, een monter ogende jongeman met gemillimeterd haar en een capuchontrui.

In het eerste geval komt de gemeentelijk lijkschouwer kijken, maar wanneer het lichaam in staat van ontbinding is, kan de Officier van Justitie er ook een forensisch antropoloog bij vragen.

Waar precies dat omslagpunt ligt, is lastig te zeggen volgens Krap. "Tussen een vers lichaam en een skelet zit een enorm grijs gebied: je bent niet ineens een skelet." Meestal staat hij daarom samen met de patholoog aan de sectietafel. "Daar ligt dan een soort oersoep," vertelt hij al roerend in een espresso, "een hele brij aan eiwitten, aminozuren, vetzuren en alle andere componenten waar het lichaam ooit uit bestond." Daar kun je echter nog heel erg veel mee. Als er nog haren resteren, komen die van pas voor toxicologie. Het liefst een behoorlijke hoeveelheid, want toxicologen moeten vermenging kunnen uitsluiten. Het zou zomaar kunnen dat iemand bijvoorbeeld een zakje MDMA in zijn jaszak had en dat die stoffen over het lichaam en de haren verspreid zijn geraakt. Een enorme meerwaarde is het als sommige organen nog een beetje intact zijn, zodat de patholoog kan bepalen of sprake was van een hartinfarct bijvoorbeeld."

Van het ontbindende lijf of wat daarvan resteert wordt vaak eerst een CT-scan gemaakt, zodat het weefsel niet beschadigd hoeft te worden om bij het werkveld van de forensisch antropoloog – de botten – te geraken. Die scans worden in het dichtstbijzijnde ziekenhuis uitgevoerd. Ik vraag of dat wel hygiënisch is, een ontbindend lijk in dezelfde scanner waar later weer een patiënt met een hersenschudding in ligt. "Uiteraard," zegt Tristan, "dat wordt goed schoon gehouden hoor."

Gemiddeld heeft Tristan Krap drie tot vier forensische "zaken" per maand. Op een standaard werkdag staat hij als forensisch antropoloog vooral in het mortuarium, eentje dichtbij de vindplaats meestal. Daar beschrijft hij alles wat hij ziet. "Je bekijkt of het bot fracturen vertoont, afwijkingen, ziektes, of het volledig is, enzovoort. Bij een goede schouw heb je ieder botje minstens twee keer in handen gehad. Zelf op de plaats delict gaan kijken is bovendien absoluut aan te raden." Dan zie je vaak in één oogopslag al hoe bepaalde situaties verklaard kunnen worden.

"Bijvoorbeeld als het lichaam alleen op de rug is gemummificeerd. Op je tafel kan dat nog een puzzel zijn, maar als je de locatie bezoekt en ziet dat het lichaam met de rugzijde naar het raam ligt, dan weet je genoeg."

"Je kunt dus aan één zijde mummificeren?"

"Ja hoor, als de zon erop staat en je een beetje op de tocht ligt kan je rug binnen een week of twee al gemummificeerd zijn. Dat is trouwens ook afhankelijk van de BMI en afwijkingen. Mensen met ziektes hopen doorgaans vocht op, en dan mummificeer je natuurlijk veel minder snel."

Voor slachtoffers van treinongelukken reist Tristan sowieso af naar locatie, om het lichaam zo goed mogelijk weer in elkaar te zetten zodat er röntgenfoto's gemaakt kunnen worden. Die foto's zijn vooral voor de forensische odontologie belangrijk, omdat een gebit bijna net zo persoonlijk is als een vingerafdruk en je daarmee dus de identiteit kunt achterhalen. "Vaak heb je wel een vermoeden om wie het gaat aan de hand van de vermissingen in de buurt, maar zo niet kun je met behulp van het skelet bepalen tot welke leeftijdsgroep en geslacht het slachtoffer behoort, en met die gegevens wordt het gebit bij de tandartsen in de regio uitgezet."

Dit soort identificatiemethoden wordt vooral bij cold cases en grote rampen ingezet. Liesbeth Smits vertelt vanuit haar gerenoveerde werkkamer aan het Turfdraagsterpad in Amsterdam over het World Trade Centre, dat nog maanden heeft gebrand. Om de menselijke resten te determineren werden daar ook fysisch antropologen ingezet om tot een identificatie van de doden te komen. Lang niet iedereen kon echter op naam worden gebracht: "Er is feitelijk sprake van een heel grote berg met piepkleine crematieresten. Soms hadden ze alleen een fragment met schedelnaden, waardoor de onderzoekers hoogstens konden bepalen hoe oud het individu ongeveer was. Een gunstiger vondst was bijvoorbeeld een onderbeen waarop operatiesporen zichtbaar waren. Daarmee kon alvast bepaald worden dat iemand die onlangs aan zijn rechterbeen geopereerd was tot de slachtoffers behoorde."

Op basis van een schedelfragment kon soms gezegd worden dat het om een man ging, vanwege de grote spieraanhechtingen aan de achterkant van de schedel bijvoorbeeld (voor de mannelijke lezers: voel maar midden op je achterhoofd, grote kans dat daar een knobbeltje zit) of dat het om een Kaukasische vrouw ging, vanwege de hoge neusingang. Verder kwam het vaak niet.

En soms is er niet eens een lichaam. Tristan Krap kreeg bijvoorbeeld eens de vraag of er iemand in een bepaalde auto had gelegen.

"Iemand?"

"Een lijk."

"Hoe kom je daarachter?"

"Door zorgvuldig sporenonderzoek te doen, onder meer met luminol of een andere forensische lichtbron zoals de crime light. En niet al mijn zaken komen via de politie, ik word ook wel particulier ingeschakeld. Om een zaak nog eens te bekijken, om een vermist persoon te zoeken, of de as van oma wel werkelijk de as van oma is, noem maar op."

"Hoe kun je zien of de as van oma echt de as van oma is?"

"Moeilijk. Een moderne crematie brandt ongeveer 2,5 uur op 1200 graden, en met zo'n temperatuur wordt het lichaam omgezet tot CO2 en H2O in dampfase. Alleen de botten blijven over en die worden door de hoge temperatuur vloeibaar en nemen een nieuwe structuur aan: ze rekristalliseren. Het hele skelet transformeert dan soms tot een soort porselein. Het crematorium probeert dat overigens te voorkomen, omdat ze de nabestaanden dan geen as meer mee kunnen geven. Na de crematie gaat het skelet de vermaler in, waar het met een grote loden bal verast wordt. Als het skelet echter zwaar gekristalliseerd is, krijgt zelfs een loden bal het niet meer stuk"

"Een loden bal..." Ik moet dit brute object in combinatie met serene crematies even op me in laten werken.

"Jep. De meeste mensen weten dat soort dingen inderdaad niet."

"En kun je dan nog zeggen of die as van oma is?"

"Dat hangt ervan af hoe hard er gebrand is, maar na een moderne crematie in combinatie met die loden bal eigenlijk niet. Aan de hand van het calciumhydroxieapethiet, een biologisch aangemaakt mineraal, kun je bepalen of het überhaupt wel bot is, maar verder is alles verbrand. De haversiaanse kanalen waarmee je kunt vaststellen dat het om menselijk botmateriaal gaat, de verbindingen, vrijwel alles is dan stuk."

Van de groeiprocessen van ons bot, belangrijke indicatoren voor onder meer leeftijdsbepaling, weet Liesbeth Smits veel af. Naast haar computer ligt een stapel naslagwerken en op een glazen tafel een perfect uitgesorteerd skelet, alle botjes op de juiste plek. Ze wijst een paar locaties aan. Het sleutelbeen fuseert bijvoorbeeld rond het twintigste levensjaar, net als de schedel. De schedel is bij baby's nog open en de helften groeien steeds verder naar elkaar toe langs de schedelnaden, tot die rond het twintigste levensjaar een soort ritspatroon hebben. Na een jaar of zestig fuseert dit volledig, dus pas bij oudere individuen is de schedel helemaal dicht en gaaf en vrij van naden. Met dergelijke kennis kan Liesbeth Smits aan de hand van ogenschijnlijk onherkenbaar botmateriaal onder meer nog leeftijd, geslacht, herkomst, ziektegeschiedenis en soms zelfs de reisgeschiedenis bepalen.

"Zit je reisgeschiedenis in je botten?!"

"In zekere zin, daar zal ik je straks wat van laten zien. Zullen we even koffie drinken?"

Op weg naar de bovenste verdieping, waar de filterkoffie al klaar staat onder de nokbalken van de binnenstadcampus, vertelt Liesbeth Smits dat bij pathologie van de botten onderscheid moet worden gemaakt tussen schade die voor, tijdens en na de dood is ontstaan. Weer terug in haar werkkamer laat ze een afbeelding zien van knaagsporen aan een vers bot en een foto van snijsporen. "Hier zie je een duidelijk patroon van lange halen, korte halen en weer lange halen." Ze praat zorgvuldig. "Om het hoofd los te snijden van het sleutelbeen." Wanneer je geen genezing rond die incisies ziet – waarvan je in het geval van een losgesneden hoofd mag aannemen dat dat zo is – dan zijn de snijsporen 'perimortem', rondom de tijd van de dood dus. Zijn de snijsporen of breuken weer geheeld, dan was de schade antemortem, wat betekent dat het letsel voor de dood is toegebracht en niet (direct) tot de dood heeft geleid.

Als er weinig botmateriaal resteert, kun je naast optisch onderzoek ook isotopenonderzoek uitvoeren om informatie te verkrijgen, met strontium bijvoorbeeld. Strontium is geologisch gebonden aan de bodem en komt via het grondwater in gewassen en dieren en daarmee in het menselijk lichaam terecht. Deze stabiele isotopen laten op basis van de geologische regio zien waar je geweest bent. Niet tot op de kilometer nauwkeurig – Nederland is geologisch gezien bijvoorbeeld een vrij uniform gebied, met uitzondering van Limburg – maar met deze methode kan wel ongeveer bepaald worden in welke maand iemand de landsgrenzen heeft overschreden.

Isotopen komen overal in de omgeving voor en belanden daardoor in de voedselketen, en dus in de mens. Sterker nog, de mens zelf kan ook een voedselketen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een zwangerschap, waarbij de vrucht en de moeder één zijn. Zodra het kind geboren is en borstvoeding krijgt, staat de baby boven de moeder in de voedselketen, omdat hij de moeder als het ware opeet.

Isotopen verzamel je dus in je lijf door te drinken, te eten en te ademen; door te leven kortom. Die verzamelde isotopen kun je weer aflezen uit bepaalde typen bot en zo tonen ze de omgeving waarin je geleefd hebt. Het glazuur van je gebit wordt bijvoorbeeld in je vroegste jeugd gevormd en verandert niet meer. Daarom kan op basis van één enkele tand met isotopenonderzoek al bepaald worden waar iemand is geboren en getogen.

Ribben zijn daarentegen erg licht en bewegen veel doordat je ademt, dus die hebben een hoge vernieuwingstijd. Op basis van iemands rib kun je daarom aangeven waar hij ongeveer de laatste zeven jaar van zijn leven is geweest.

Is er nog een klein toefje haar aanwezig, dan kan het nog veel preciezer: daarmee kun je zelfs tot op de laatste maanden nauwkeurig iemands locatie reconstrueren. Het haar van een gemiddeld mens groeit ongeveer een centimeter per maand, dus met een liniaal langs een hoofdhaar kun je een tijdpad opstellen. Om op basis van die haar het afgelegde traject te bepalen, wordt gekeken naar het aanwezige strontium. Dit wordt uiteengezet in boxplots per maand, waarmee je in het geval dat Liesbeth mij toont kunt zien dat de eigenaar van de onderzochte haar in augustus is gaan reizen: daar verspringt plots iets in de grafiek.

Een andere techniek die nog in de kinderschoenen staat, maar wel grote potentie heeft, is de studie van groeilijntjes rondom de wortels van het gebit. Ongeveer elk jaar komt daar een zogenoemd cementlijntje bij, dus heel kort door de bocht kun je deze lijntjes net als bij boomringen tellen om te schatten hoeveel jaren iemand geleefd heeft. Bovendien zijn hier nog biologische kenmerken uit af te leiden. Smits laat een foto zien waarop duidelijk een verstoring van de groeilijntjes te zien is bij het jaar dat overeenkomt met 1965. "We weten toevallig dat deze vrouw in 1965 een kind heeft gekregen, en dat zie je dus terug als lichamelijke stress in deze lijntjes. Zo'n verstoring zegt dat er fysiek iets aan de hand was in dat jaar."

Al deze methoden onderstrepen dat hoe ver een lijk ook in ontbinding is, de juiste onderzoeker er nog steeds enorm veel informatie uit kan halen. Een enkele tand, één hoofdhaar, een vergruisd en verbrand schedelfragment, of soms zelfs alleen nog maar de lege kofferbak van een auto.