Advertentie
Dit artikel is meer dan vijf jaar oud.
Motherboard

Ironisch genoeg kan je aan iemands gezicht zien of hij een racist is

En daarvoor hoeft hij niet per se hakenkruizen op zijn voorhoofd getatoeëerd te hebben.

door Austin Considine
26 april 2013, 6:00am

Not every face predicts racist behavior as strongly as this one. But some men's faces do in much subtler ways. Image via Southern Poverty Law Center

Het is dus niet nodig om er zo uit te zien om iemand als racist te bestempelen. Beeld via Southern Poverty Law Center

Wat kun je eigenlijk allemaal zien aan iemands gezicht? Best veel, blijkt. Psychologische experimenten van het afgelopen decennium tonen aan dat we best wel goed zijn in het oordelen over iemands seksuele voorkeur, geschiktheid om mee voort te planten, criminele neigingen en zelfs of ze Mormoons zijn of niet. Alleen gebaseerd op hun gezicht. Een nieuw onderzoek stelt dat er nog een karaktertrek aan het lijstje toegevoegd kan worden: de bereidheid om racistische opvattingen te uiten.

Het is redelijk ironisch dat we bekrompenheid kunnen voorspellen gebaseerd op iemands gezicht, maar het onderzoek dat uitgevoerd werd aan de University of Delaware is vrij overtuigend.

Het blijkt allemaal aan testosteron te liggen.

Recent onderzoekt toont aan dat mannen met veel testosteron bepaalde gelaatstrekken hebben die ze onderscheiden van mannen met minder testosteron. Ze hebben vooral een hoge zogenaamde Width-to-Height Ratio (fWHR). Daarvoor wordt de lengte tussen de jukbeenderen vergeleken met de afstand tussen onderlip en voorhoofd. Mannen met een hogere ratio hebben gezichten die breder en platter lijken. Onderzoek wijst ook uit dat deze mannen vaker gedrag vertonen dat we met testosteron associëren – waaronder (sorry, mannen met brede koppen) vaker vreemdgaan, het exploiteren van andere mensen, meer overtredingen maken met ijshockey en agressief gedrag in het algemeen.

Het verschil in fWHR tussen mannen en vrouwen lijkt gedurende de puberteit te ontstaan, wanneer het testosteron van puberende jongens ineens de pan uit stijgt. Hun smalle, ei-vormige schedels worden breder en blokkiger.

Dat niet alle mannengezichten evenveel veranderen komt door het verschil in testosteron. Daarnaast is er nog iets wat onderzoek uitwijst over mannen met hoge testosteronniveau’s: ze willen domineren. Bovendien willen anderen ze niet in de weg staan omdat ze als imponerend worden gezien.

Uit het onderzoek:

… het is misschien nauwkeuriger om te zeggen dat testosteron de zoektocht naar sociale dominantie stimuleert. Omdat een hogere fWHR gelinkt wordt aan verhoogd testosteron, zou fWHR een fysieke uiting kunnen zijn van dominante motieven in mannen. Dat kan het beste uitgelegd worden als een neiging naar interpersoonlijke sociale dominantie en daaraan verwant gedrag.

Een van de manieren waarop mannen dominant gedrag vertonen is door regels te overtreden. (Het onderzoek merkt ook op dat neurologische vondsten aantonen dat hoge testosteronniveau’s gekoppeld zijn aan verminderde activiteit in de orbifrontale cortex, een gebied wat gebruikt wordt bij impulscontrole en remming.) En anderen gaan er vanuit dat ze ze zullen breken. Of we het nou doorhebben of niet, we weten welke mannen de regels zullen overtreden omdat we aan hun gezicht kunnen zien wie meer testosteron heeft.

Behalve op je lokale PVV-bijeenkomst vindt de maatschappij openlijk geuit racisme natuurlijk niet ok. Dus vroegen de onderzoekers zich af of mannen met een hogere fWHR makkelijker racistische dingen zeggen omdat ze door hun hoge testosteron  minder sociale remming voelen. Ze testten het bij 70 blanke mannen en vonden dat dat inderdaad zo was.

De onderzoekers lieten vervolgens waarnemers naar foto’s van de 70 mannen kijken. Ze vroegen zich af of de proefpersonen de mannen met bredere gezichten vaker racistisch vonden. Dat klopte. Bovendien bleek hun oordeel overeen te komen met wat de 70 mannen over zichzelf onthulden: de mannen die de waarnemers racistisch vonden, waren ook degenen die vaker racistische uitingen deden.

Hoofdonderzoeker Hehman legde me in een emailuitwisseling uit dat zijn collega’s en hij de 70 mannen ook op impliciet racistische vooroordelen getest hadden. Hij omschreef de term als “een automatische associatie van andere rassen met ‘slechte dingen’” – een soort onbewuste respons die mensen minder ‘onder controle’ hebben.” Als het aankwam op deze impliciete vooroordelen was er ineens geen samenhang meer met de vorm van het gezicht.

De andere conclusie die we kunnen trekken is dat we niet testosterongedreven hoeven te zijn om racistisch te zijn. Impliciet racisme is gewoon een ander soort racisme met zijn eigen subtiele effecten. “Iemand met impliciete vooroordelen let bijvoorbeeld minder op als Obama politieke argumenten maakt, of gelooft minder van wat hij zegt (zonder dat het zelf door te hebben), waardoor ze uiteindelijk minder snel op Obama zouden stemmen,” zegt hij. Dit kan volgens hem “zonder expliciet racistische beslissingen te maken, of zelfs maar bewust te zijn van het effect.”

Hehman benadrukt dat het een onderzoek is naar de bereidheid om racistische denkbeelden te uiten, niet naar de denkbeelden zelf. Toch zit er een deterministisch randje aan het onderzoek. Net als in eerder onderzoek waarin gelaatstrekken worden gelinkt aan criminaliteit of mormonisme wordt een zekere mate van onontkoombaarheid gesuggereerd – een idee dat vele anti-racisten zouden verwerpen. Hehman gaat de implicaties niet uit de weg: “Uiteindelijk denk ik dat de praktische toepassing van het onderzoek is om mensen te leren in welke situaties ze hun instincten over andere mensen moeten vertrouwen. En in welke situaties ze aan hun instincten moeten twijfelen, omdat er dan meer kans bestaat dat ze het fout hebben.”

Maar determinisme is alleen onvermijdelijk als we geloven dat de omgeving alles bepaald. Iemand kan een gezicht hebben dat in onze maatschappij om wat voor  culturele of evolutionaire reden ook als oneerlijk wordt beschouwd. Maar als je een persoon behandelt als een leugenaar, wordt dat persoon er misschien wel een, waardoor het stereotype allen maar versterkt wordt. Dat zowel nature als nurture een rol spelen iets wat de wetenschap geaccepteerd heeft, waardoor onderzoeken als deze zich onderscheiden van oude pseudowetenschappen, zoals frenologie.

 “Ik denk dat kennis van dat oude debat wetenschappers huiverig maakt om  simplistische conclusies te trekken,” zegt Hehman. “Mijn optimistische kant denkt dus dat mijn gebied geleerd heeft van fouten in het verleden.”