Joris Bekkers.
Sport

Hoe ik vanuit huis als analist voor de Amerikaanse voetbalbond werk

Elke dag stuurt Joris Bekkers (30) vanuit Brabant voetbaldata naar Chicago.
Sam van Raalte
zoals verteld aan Sam van Raalte
29 juli 2020, 8:26am

In zijn brandschone appartement in Breda werkt Joris Bekkers (30) als data-wetenschapper voor de Amerikaanse voetbalbond. Aan de muur van zijn werkkamer hangen ingelijste voetbalshirts, op het bureau staan twee grote schermen waarop Bekkers non-stop in de weer is met statistieken van honderden voetballers. Elke dag stuurt hij data door naar het hoofdkantoor van de Amerikaanse voetbalbond in Chicago.

We gingen langs bij Bekkers, om te horen hoe hij achter de schermen van het Amerikaanse voetbal terecht is gekomen, en wat hij daar precies doet.

Dit is zijn verhaal.


“Als student probeerde ik professioneel te pokeren. Dat ging supergoed, maar ja, je zit wel de hele dag in je eentje een beetje te klikken op je computer. Daar werd ik niet echt vrolijk van. Financieel gezien was het lucratief: ik verdiende zo’n tweeduizend euro per maand. Flink wat geld voor een thuiswonende student, maar het was zo ontiegelijk saai dat ik er na een half jaar mee ben gekapt.

Ik wist niet zo goed wat ik van het leven wilde, behalve dat ik niet elke dag twee keer in de file wilde staan om naar een kantoorbaan te gaan. Gelukkig kwam ik tijdens mijn studie Operations Management and Logistics aan de Technische Universiteit Eindhoven op een idee.

De studie ging over de bevoorrading van bedrijven, bijvoorbeeld hoeveel reserve-onderdelen bedrijven nodig hebben, en wat de kans is dat je zo’n onderdeel moet gebruiken. Voor de opleiding moest ik leren programmeren en met allemaal wiskundige termen werken. Het was saai, maar ik wilde graag leren programmeren, dus ik bedacht een plan.

Net als dat bedrijven reserveonderdelen hebben, hebben voetbalclubs reservespelers. Die wisselspelers zijn heel duur en een club weet niet hoe vaak ze die moet inzetten. Stel: NAC Breda heeft zeven wisselspelers, maar gebruikt er drie niet en heeft een keeper die nooit speelt. Hoeveel moet de club daar dan aan uitgeven? Daar wilde ik onderzoek naar doen.

Joris in zijn werkkamer in Breda.

Op de site van de Universiteit Eindhoven vond ik een assistent-professor die sportanalyse interessant vond: Shaunak Dabadghao. Ik ging naar hem toe en zei: ‘Ik wil wisselspelers analyseren.’ Hij keek me lachend aan en zei: ‘Cool, maar we hebben geen data.’ Ja, hoe kom je aan data? Tegenwoordig heb je allemaal bedrijven die data van sportwedstrijden gratis uitgeven, maar toen bestond dat nog niet. Wel was er een website, Squawka, waar allemaal voetbaldata op stond. Ik maakte een programmaatje om alle data van de vijf grote voetbalcompetities en Nederland uit die website te trekken.

Ik had nog nooit zelf een programma gemaakt, dus het duurde superlang voordat de data binnen was, en het ging een paar keer mis. Had het programma een hele dag gedraaid, kreeg ik aan het einde van de dag een error-melding op mijn scherm. Na een maand had ik alle data van bijna 8.500 wedstrijden, met meer dan 2.000 datapunten per wedstrijd bij elkaar. In de data stond bijvoorbeeld precies welke speler wanneer naar welke plek op het veld passte. In totaal had ik 10 miljoen passes in mijn dataset. Als ik die met de hand had moeten verzamelen, was ik nu nog bezig geweest.

Met die data ging ik weer langs Shaunak. Ik zag aan zijn gezicht dat hij het vet vond. ‘Oké, we gaan een project doen,’ zei hij. ‘Maar je kunt een vetter onderzoek doen dan naar reservespelers. Waarom onderzoeken we niet de patronen in al die passes?’ Shaunak en ik hebben vervolgens wat literatuuronderzoek gedaan en kwamen een wetenschappelijk paper tegen dat ik wel interessant vond. Dat paper had de passes van spelers en teams geanalyseerd. Wat daaruit kwam, was dat de passing van Xavi, van Barcelona, bizar goed was. Aan het einde van het paper werd de vraag gesteld: welke speler kan Xavi vervangen?

Die vraag gingen we proberen te beantwoorden met onze dataset. Het hele onderzoek heeft een maand of zes geduurd. De resultaten waren best interessant: we zagen bijvoorbeeld dat FC Barcelona en Bayern München heel erg op elkaar leken in de passmotieven, wat ook wel moest kloppen, omdat ze allebei zwaar beïnvloed waren door Pep Guardiola. Toen ik dat zag, wist ik: we zijn op de goede weg. Wie bleek de beste vervanger van Xavi? Marco Verratti. Zijn passing leek het meest op de passing van Xavi. Helaas is hij nooit naar Barcelona gegaan – dan had ik mooi mijn gelijk kunnen halen.

Shaunak vertelde tijdens ons onderzoek over de MIT Sloan Sports Analytics Conference. Ik had daar nog nooit van gehoord, maar kennelijk is dat de grootste conferentie voor sportanalisten ter wereld. Het wordt elk jaar gehouden in Boston. ‘Dat is mooi,’ zei Shaunak. ‘We kunnen ons onderzoek insturen, misschien mogen we er dan wel heen.’ Dus we stuurden ons onderzoek in. Ik verwachtte er niks van, maar we werden uitgekozen om er een posterpresentatie te houden. Dan sta je daar gewoon op de gang met je poster, maar ik vond het al lang tof dat we erbij mochten zijn.

We maakten een mooie poster met ons onderzoek erop en vlogen naar Boston. Ik had geen idee wat ik ervan moest verwachten. De conferentie vond plaats in een conferentiecentrum, waar de grote sprekers in de grote zalen presenteerden. Op de gangen mochten wij dan staan, om ons onderzoek aan de bezoekers te laten zien. Dat was nog best leuk, er kwamen bijvoorbeeld studenten van Harvard en MIT op af. Op de eerste dag zag ik ook een paar data-analisten van FC Barcelona lopen, maar ik durfde niet op ze af te stappen.

Op de laatste dag van de conferentie zag ik die gasten van FC Barcelona weer. Ze dronken koffie bij een statafel. Ik dacht: nu of nooit, en stapte eropaf. ‘Ik heb een poster, willen jullie even komen kijken?’, vroeg ik. Ik was nerveus, maar het waren aardige gasten. Ze waren meteen ook heel kritisch, wat ik juist fijn vond. Ze zeiden bijvoorbeeld: ‘Je kijkt nu naar de passing van Xavi en Verratti, maar hoe groot is de invloed van het teamspel op deze statistieken?’ Toen dacht ik: shit, daar heb ik helemaal geen antwoord op. Dat snapten ze ook wel. Het hoort bij onderzoek doen dat je veel niet weet.

Ik heb een half uur met ze staan praten en kreeg daar veel ideeën van. Daarna zat de conferentie erop en vloog ik terug naar huis. De maandag erop kreeg ik een mailtje van ene Mike Treacey. Hij schreef: ‘Ik heb een connectie met een club uit de Engelse Premier League, Bournemouth. Ik heb je onderzoek gezien en wil met je praten.’ Mike bleek te werken voor een hedgefund dat deels eigenaar was van Bournemouth.

Hij zette een skypegesprek op met de video-analisten van Bournemouth. In dat gesprek presenteerde ik mijn analyses. Ze waren enthousiast, en ik kreeg bij Bournemouth een contract voor drie maanden als data-analist. Echt ziek: ik stond opeens onder contract bij een club uit de Engelse Premier League. Het was mijn taak om vanuit Breda te zorgen dat ze automatisch na, en zelfs tijdens de wedstrijd data kregen van wat er op het veld was gebeurd. Ik zorgde dat er automatisch data werd verwerkt, zodat die gasten meer tijd konden besteden aan analyseren.

Na mijn drie maanden bij Bournemouth belde Mike me op met een mededeling. Zijn hedgefund werkte ook samen met de Amerikaanse voetbalbond, waarvan het hoofdkantoor in Chicago zit. Hij vroeg of ik daar wilde gaan werken. De Amerikaanse voetbalbond wilde dat ik ging helpen met het analyseren van tegenstanders, hun eigen wedstrijden en bijvoorbeeld spelers die opgeroepen kunnen worden. Als ik er interesse in had, lag mijn vliegticket naar Chicago al voor me klaar. Ik kon er fulltime aan de slag gaan.

Die kans kon ik niet laten gaan, dus ik besloot naar Chicago te emigreren. Het kantoor van de Amerikaanse voetbalbond zit in twee hele dikke villa’s in een mooie wijk van de stad. Ik vond er een appartement en kon elke dag langs Lake Michigan naar m’n werk fietsen. Dat was supervet.

Joris op de fiets in Chicago.

Het hoogtepunt van mijn tijd in Chicago was het WK van de vrouwen, vorig jaar. Mijn leidinggevende, Tyler Heaps, ging als assistent met de selectie mee naar het toernooi in Frankrijk. Ik stond vanuit Chicago in contact met hem, terwijl hij de technische staf van data voorzag. Als Tyler bijvoorbeeld aan mij vroeg: ‘Ik wil weten welke speler van de tegenstander door de linies heen breekt met passes,’ dan maakte ik een algoritme, waardoor hij in zijn video-analyse sneller kon herkennen wanneer spelers van de tegenstanders dat deden.

Het tijdsverschil was een voordeel. De wedstrijden waren meestal om negen uur Europese tijd afgelopen. Dan gingen zij de bus in, naar het hotel en slapen. Op dat moment had ik in Chicago zeven uur de tijd om met de data aan de slag te gaan. Als Tyler wakker werd, kon hij ermee aan het werk. Het toernooi verliep geweldig voor ons. Voor mij was het al helemaal mooi toen we tegen Nederland speelden in de finale. Ik was natuurlijk voor Amerika, want daar werkte ik voor, maar ik had speciaal voor die dag ook een paar oranje sokken geregeld.

In een groot park in Chicago keken we met 9.000 man naar de finale. Onderweg naar het park belde Tyler me nog op. Nederland had de opstelling achterin veranderd. ‘Waarom doen ze dit? Wat zeggen ze erover op de Nederlandse televisie?’, vroeg Tyler. Ik ben letterlijk van mijn fiets gestapt en belde mijn ouders snel op om te vragen of zij op tv konden kijken wat er over de opstelling werd gezegd. Het bleek te gaan om de snelheid van de Nederlanders ten opzichte van de Amerikanen. Dat was wel logisch, maar het was wel geinig dat ik het zo kon checken. Ik appte Tyler de informatie meteen door.

Joris (tweede van links) tijdens de hackaton van de Amerikaanse voetbalbond.

Het was groot feest in Chicago toen we de finale wonnen met Amerika. Maar daarna moest ik al snel nadenken over mijn toekomst. Ik kon in Chicago blijven werken, maar ik miste mijn vriendin, familie en vrienden in Nederland enorm na een jaar in het buitenland. Het was supervet in Chicago en als ik geen vriendin had, dan was ik er sowieso gebleven. Maar ik kon het mezelf niet meer verkopen. Ik moest een beslissing nemen. Gelukkig vond de Amerikaanse bond het goed als ik voor ze zou blijven werken vanuit Nederland, dus ik verhuisde terug naar Breda.

Nu doe ik alles vanuit huis. In dat opzicht is het niet anders dan het pokeren, maar dit vind ik een stuk leuker om te doen. Het is wel jammer dat je op deze manier weinig meekrijgt van waar je mee bezig bent. Je ruikt het gras niet, ziet het stadion niet, bent niet bij de trainingen. Je bent gewoon achter je computer met getallen bezig. Soms mis je dan wel de realisatie wat voor toffe dingen je aan het doen bent, omdat je er zo ver vanaf zit.

Daarom heb ik twee shirts ingelijst aan de muur gehangen: een van Bournemouth en een van het nationale elftal van Amerika. Soms kijk ik ernaar, en besef ik: dat ene onderzoek naar Xavi heeft me veel moois opgeleverd.”

-

Dit is een verhaal uit de serie VICE Sports Avonturiers, waarin Nederlanders aan het woord komen die voor hun sport naar het buitenland zijn vertrokken. Zie hier alle verhalen uit deze serie. Naast onze geschreven verhalen en video's hebben we nu ook een podcast: De Wereld van VICE Sports. De afleveringen zijn hier te luisteren bij Apple of hier op Spotify: