Identiteit

Hoe het is om uit te gaan als je maar één arm hebt

Voordat ik me realiseerde dat ik mijn handicap als edgy accessoire kon inzetten, was ik vooral bezig om mannen te ontwijken die gefascineerd waren door het feit dat ik geen linker onderarm heb.

door Dayna Troisi
25 april 2017, 8:09am

ILLUSTRATIE DOOR ELEANOR DOUGHTY

Het eerste wat ik heb leerde in mijn studententijd, was dat je twee handen nodig hebt om een biertje te tappen. Ik heb er maar eentje; ik ben geboren zonder linker onderarm. Je zou misschien denken dat mijn pubertijd een hel was, maar toen mijn klasgenoten eenmaal wisten wie ik was en dat ik maar één hand had, hebben ze me daar nauwelijks mee geplaagd. Pas toen ik uitging, begonnen mensen commentaar te leveren op mijn handicap.

Het is ingewikkeld om iemand te zijn die zowel houdt van aandacht, mooie kleren en met vreemden praten, als iemand die zich tegelijkertijd ongemakkelijk voelt door diezelfde dingen. Ik wist altijd al dat ik anders was; zelfs naast mijn handicap heb ik een behoorlijk aparte stijl (tegenwoordig draag ik altijd zwart, een choker en laarzen tot over de knie). Maar ik was me er niet bewust van dat andere mensen mij op die manier zagen, totdat ik ging studeren. Laat dat maar aan dronken mensen over – die zeggen namelijk precies wat ze denken.

De eerste keer dat ik naar een feest van de studentenvereniging van mijn universiteit ging, was ik met mijn huisgenootjes Karina en Alexa. Toen ze mij ontmoetten zeiden ze niks over mijn arm, waarschijnlijk omdat ze er al achter waren gekomen door Facebook. Op de eerste avond van de intreeweek zette ik mijn koptelefoon op en Sex and the City aan, toen ze mijn kamer binnenkwamen en een biertje in mijn hand drukten. Ik had geen keus: ik ging mee uit.

Ik doste me uit in de kleren die helemaal hip waren in 2011 – een gescheurde spijkerbroek, Uggs, een nylon tanktop, een choker van strass waarop kiss stond en een petje met de tekst Just Be A Queen. Ik zou mezelf voor de gek houden als ik zou zeggen dat ik verlegen was en dat ik het niet leuk vond als er naar me gekeken werd. Ik had er zin in – totdat ik de biertap zag. Ik moest mijn glas vasthouden en tegelijkertijd een biertje tappen. Ik had mijn glas ook vol kunnen laten lopen in een grote bak met een of andere goedkope cocktail, maar ik werd gewaarschuwd dat ik dat beter niet kon doen.

"Ha, heb je hulp nodig?" vroeg een jongen met bruin haar en spikes en neppe Chanel-oorbellen in ( Jersey Shore werd toen nog uitgezonden). Ik knikte driftig van ja.

Hij schonk mijn glas vol en kantelde het glas als een prof. "Je bent heel knap, weet je dat?"

Ik kon zijn charme niet weerstaan. "Dank je," zei ik, terwijl ik mijn armen over elkaar sloeg op een manier waarvan ik dacht dat het leek of ik aan het flirten was. Bij de één-armversie van dit gebaar betekent het dat ik mijn stompje vastpakte.

"Dat is zo cool," zei hij, terwijl hij naar mijn arm wees. "Mag ik hem aanraken?"

Van binnen schreeuwde ik: "Nee! Nee! Nee!", maar ik zei: "Tuurlijk."

Dronken meisjes in de rij bij de wc noemden me 'inspirerend', jongens verzekerden me ervan dat ik 'nog steeds mooi' was, en mijn huisgenootjes zeiden dat ze me 'dapper' vonden.

Ik was gewend dat vreemden aan me vroegen hoe het was gekomen, en dat ik ze daarna het saaie antwoord gaf: "Ik ben zo geboren," maar iemand die vroeg of hij mijn arm mocht aanraken – dat sloeg alles. Soms voelen kinderen zonder het te vragen aan mijn arm, maar van volwassenen verwachtte ik meer. Ik dacht dat dit soort directe vragen over mijn handicap niet veel zouden voorkomen in mijn studententijd, waar toch van mensen wordt geacht dat ze ouder en wijzer zijn, maar het gebeurde continu. Tijdens ieder feestje kreeg ik de vraag wat er met mijn arm gebeurd was.

Een tijdje ging ik daarin mee. Het zou nogal een domper zijn als ik, iedere keer als iemand iets zei over mijn handicap, van streek zou raken, dus reageerde ik nonchalant en aardig. Een keer toen ik dronken was liet ik aan een groep bezopen mensen zien hoe ik mijn veters vastmaakte, en ze applaudisseerden alsof ik zojuist met één hand een pianoconcert van Chopin had uitgevoerd.

Maar hoewel deze verwondering over mijn vermogen om basale dingen gewoon te kunnen ook als neerbuigend kan worden opgevat, voelde het beter dan te worden afgewezen door mijn handicap. Bij sommige mensen die ik kende was ik uit de kast gekomen, maar er waren niet veel andere queervrouwen op mijn school; uit verveling flirtte ik wel eens met jongens, misschien wel omdat ik 'normaal' wilde zijn. Ik praatte ooit met een jongen op een feestje en hij vroeg me wat mijn tattoo betekende. Ik sloeg mijn vest opzij om hem aan hem te laten zien – waardoor ik onbewust de aandacht op mijn ontbrekende linkerarm vestigde. Hoe dat hem daarvoor niet was opgevallen kan ik niet begrijpen, maar ik geef voor het gemak de schuld aan de vele cocktails van die avond. Nog voor ik het verhaal over mijn tatoeage had kunnen afronden, mompelde hij: "Hmm. Nee, nee, daar kan ik niet mee omgaan," en hij vertrok.

Foto is eigendom van de schrijver

Wat nog irritanter was dan de vragen of afwijzingen, waren de felicitaties. Barmannen zeiden dat ze respect hadden voor het feit dat ik uitging. Dronken meisjes in de rij voor de wc noemden me inspirerend. En jongens verzekerden me ervan dat ik "nog steeds mooi" was. Mijn huisgenootjes zeiden tegen me dat ze me dapper vonden.

Toch was het optutten met Karina en Alex een ritueel dat ik snel begon te waarderen. We sloegen biertjes achterover en stonden naast elkaar voor de spiegel om onze make-up te doen – dankzij ondergetekende hadden we een grote, invalide-vriendelijke badkamer – ronddartelend in onze bh's en ondergoed en elkaar insmerend met zelfbruiningscrème, terwijl we bruine voetstappen op de tegels achterlieten.

In het voorjaar van het eerste jaar, besloot ik om mijn cosmetische prothese naar de opening van een nieuw café te dragen. Hoewel ik die op de middelbare school had aangeschaft, had ik hem daarvoor nooit gedragen; meestal gebruikten Karina en Alexa het ding om mensen mee in de maling te nemen: We lieten het achter in een bed, in de douche en in de wasruimte, of we gebruikten het als microfoon. Ik vond dat prima; aanvankelijk haatte ik het ding voor wat het representeerde – een poging om er normaal uit te zien. Maar om de een of andere reden stonden we die nacht allemaal voor de spiegel en was ik niet gelukkig met mijn korte spijkerbroekje en T-shirt. Ik had er genoeg van om vragen te beantwoorden en ik was klaar met de felicitaties. Het voelde alsof er iets mis was – ik wilde mijn prothese dragen. Er normaal uitzien klonk me als muziek in de oren.

Als er ergens burlesquedansers zijn die op het podium poepen en in shotglaasjes squirten, is het moeilijk om iemand te shockeren met één arm.

Uiteindelijk had ik genoeg van studentenfeestjes – ze zijn gewoonweg shit – en ik verlangde naar een groep mensen waar ik beter bij paste. Ik deed mijn afstotelijke accessoires weg, begon alleen maar zwarte kleding te dragen, en concentreerde me minder op dronken worden en meer op queertheorie en feminisme. De korte relatie met mijn prothese heb ik ook beëindigd – het ding paste niet bij me.

Maar mijn party-pauze was kort; binnenblijven was ook niks voor mij. Ik schreef me in voor een vak Sociologie van het nachtleven en raakte al snel gefascineerd door de Club Kidscultuur – de extreme kostuums, de manier waarop het feesten bijna heilig werd verklaard, hun schaamteloze freak-dom. Ik kon het goed vinden met mijn professor, Victor, die ook een buitenbeentje was – een succesvol, cool buitenbeentje met veel connecties. Toen hij me uitnodigde om mee naar The Boxte gaan, een exclusieve burlesqueclub in Manhattan, voelde ik me als Assepoester die naar het bal ging. Ik koos zorgvuldig mijn mooiste, zwartste setje uit en haalde het niet in mijn hoofd om mijn cosmetische prothese te dragen.

Daarna ging ik steeds meer uit in Manhattan en Brooklyn. Sexy bars, hotelkelders, exclusieve clubs en enorme pakhuizen – ik vond het allemaal prachtig. De enige opmerkingen die ik over mijn uiterlijk kreeg, waren complimenten over mijn steeds meer opvallende kleding – als er ergens burlesquedansers zijn die op het podium poepen en in shotglaasjes squirten, is het moeilijk om iemand te shockeren met één arm. We waren allemaal freaks; mijn arm viel eigenlijk niemand echt op. Elke keer dat we uitgingen, werd mijn look iets overdadiger. Grijze lippenstift, een septumring, een hondenhalsband, plateauzolen, een bh met allemaal bandjes en een doorzichtig shirt. Uitgaan voelde minder als vrijetijdsbesteding en vooral als een identiteit. Mijn leven begon te draaien om wat ik aan zou trekken, wat ik zou gaan drinken, naar welke club we gingen en wie we kenden zodat we niet in de rij hoefden te staan. Ik dacht zelfs niet echt meer na over mijn handicap.

Nu ga ik liever naar restaurants en cafés dan naar clubs, maar mijn feestervaringen blijven zich ontwikkelen. Ik hou er nog steeds van om te spelen met mijn uiterlijk. Er wordt nog steeds naar me gestaard. Ik krijg nog steeds onbeleefde vragen. Maar het voelt nu alsof ik meer controle heb over de reacties van anderen. Sinds vier maanden draag ik nu het nieuwste van het nieuwste, een bionische prothese – pikzwart en robotachtig, deze arm is heel anders dan mijn cosmetische prothese; er is niets normaals aan. Ik vind het geweldig hoe goed hij bij mijn leren jas, laarzen, en tas staat. De prothese is de perfecte accessoire voor een avondje uit en ik wil dat hij mensen opvalt: Mede-feestgangers komen naar me toe en zeggen hoe cool hij is, ze vragen zich af hoe hij werkt en vragen of ik ze een high-five kan geven of mijn middelvinger kan uitsteken. Van deze aandacht heb ik niet zo veel last als toen corpsballen mijn stompje wilden aaien (en waarschijnlijk nog steeds willen); je ziet niet iedere dag een cyborg-arm. En nu ik ouder word, heb ik ook meer geduld met mensen die me vragen stellen. Ik weet hoe intens cool mijn arm is; waarschijnlijk zou ik iemand zoals ik ook complimenteren. Het houden van dezelfde speech wordt een beetje saai, maar ik vind het fijn om mensen iets te leren en te zien dat ze ook echt luisteren.

Als mens, als vrouw, als queer, als modeliefhebber, als gehandicapte en nu als cyborg, weet ik dat ik nooit aan de blikken kan ontsnappen. Me uitdossen en uitgaan is een deel van mij en door vreemden benaderd worden hoort daarbij. Maar nu, met mijn bionische arm en mijn (iets) volwassenere uitgaansspectrum, voel ik me minder kwetsbaar als dat gebeurt. Ik ben eraan gewend dat mensen naar me staren – alleen nu zorg ik ervoor dat ze lang genoeg kijken, zodat ze me ook echt zien.