Vanlife thuiswerken digital nomad
Linkerfoto met dank aan Kay van bynomads.nl
Identiteit

Ik leefde een week als digitale nomade omdat ik thuiswerken helemaal beu ben

Thuiswerken blijft voorlopig nog de norm, dus om niet volledig door te draaien maakte ik van een camper, meubelzaak en kerkhof mijn kantoor.
08 september 2020, 7:57am

Toen Mark Rutte aankondigde dat thuiswerken ook na 1 september de norm blijft, was ik erg teleurgesteld. Nóg een paar maanden luisteren naar de dagelijkse vlogkijk-sessies van mijn huisgenoten en de schuurmachine/bladblazer/slijptol van de overburen. Nóg een paar maanden dezelfde eindeloze, saaie dagenbrij met mijn eigen dure Lavazza-espresso’s als enige kick. Nóg een paar maanden met dit uitzicht:

Muur

De muur.

De muren komen op me af, soms letterlijk, als ik erheen ren om er met mijn hoofd tegenaan te bonken. Ik had nooit verwacht dat ik dit nog ooit zou zeggen, maar: ik mis kantoor. Er gaat niets boven werken op een plek die bedoeld is om te werken, tussen andere mensen die ook werken, zo lijkt het soms. Toch zit er aan thuiswerken een leuke kant die ik nog helemaal niet heb verkend: je hoeft het niet thuis te doen. Ik ging daarom een week lang op zoek naar de beste werkplekken buitenshuis. Dit waren de highlights.

Kay Esther bynomads van

Het uitzicht moet je er even bij bedenken. Foto met dank aan Kay.

De van van twee digital nomads
Lang voordat locatie-onafhankelijk werken een gedwongen realiteit werd, gaven zogenaamde “digital nomads” vrijwillig goedbetaalde kantoorbanen op voor een leven in een busje of op het strand in Bali. Kay en Esther van het blog bynomads.nl bijvoorbeeld. Ze werkten samen bij hetzelfde marketingbureau in Amsterdam, en kwamen erachter dat ze allebei een passie voor reizen hadden. De vonk sprong over en ze besloten ze hun negen-tot-vijf-banen op te zeggen en het #vanlife te omarmen. Ze toerden een half jaar door Nieuw Zeeland en zijn net terug uit de Zwitserse alpen (voor zover je van “terug” kunt spreken bij mensen wiens huis op wielen staat).

Op dit moment heeft het stel hun busje tijdelijk geparkeerd op de oprit van Esthers ouders in Assen en bivakkeren ze zelf in het huis. Het is voor hen een soort vakantie. “Toen we hier waren, dachten we van: ahh eindelijk, lekker rustig,” zegt Kay. “Dat is normaal, daarom heeft tachtig of negentig procent van de bevolking ook deze leefstijl: het geeft rust. Leven on the road, continu dingen doen, dat ís ook gewoon stressvol. Daar moet je mee kunnen omgaan.” Oei! “Digital nomad klinkt natuurlijk heel tof he, en dat is ook zeker zo,” zegt Esther. “Je ziet de mooiste plekken op de wereld en ik zou het voor geen goud willen missen. Maar het is geen vakantie. Het is gewoon echt een leefstijl.”

Het is essentieel om een comfortabel busje te hebben, zo merkten ze tijdens eerdere reizen met een oncomfortabel busje. “Nu hebben we dus echt een goede werkplek gerealiseerd. We hebben de tafel zo afgesteld dat we goed rechtop kunnen zitten er is voldoende elektriciteit,” zegt Esther. Kay: “Er zit ook een aircootje in, dus als het warm is heb je toch een gekoelde werkomgeving.”

Structuur is ook belangrijk, misschien nog wel belangrijker dan in het sedentaire leven. De nomaden werken vijf dagen per week vanuit hun busje, van negen tot vier (“met een uurtje pauze”). Ze houden hun blog bij, doen online marketing voor verschillende klanten en maken camperbouwgidsen. “Als het werk gedaan is, klap je je laptop dicht en kun je lekker de bergen in. Dat is het mooie van leven in zo’n bus. Je kan kiezen wat het uitzicht vanuit je raam is,” zegt Kay.

Op dit moment is het uitzicht helaas een bakstenen muur en een Assense woonwijk, niet súper inspirerend, en hoewel Kay en Esther van elkaar zeggen dat ze leuke collega’s zijn, mogen ze (net als mijn echte collega’s) helaas niet met me samenwerken vanwege corona-gevaar. Wat dat betreft schiet ik er niet zoveel mee op dat ik nu in een busje werk. Ergonomisch gezien is het wél een verademing: na maandenlang op mijn eigen eetkamerstoelen en afgeragde fauteuils te hebben gehangen, is het #vanlife verrassend comfortabel.

Amstel Hotel

Het is te leuk in het Amstelhotel

Het luxe hotel
Het leven on the road beviel niet slecht, maar als ik nou écht overal mag werken ga ik liever voor wat meer allure. In het Amstelhotel heb je, net als in een busje, geweldig uitzicht (op de rivier en de pleziersloepjes), maar dan in een chiquer interieur met zachte groene vloerbedekking. Het enige ongemak is de hoeveelheid tafelgerei: een melk- en suikerstelletje, servetten met zilveren ring, een waxinelichtje in een porseleinen houdertje, roze bloemen in een glazen mini-kannetje. Er staat zoveel op tafel dat mijn laptop er bijna niet bij past. Kortom: het kan erger, en elke mogelijke irritatie wordt verdreven door het boterkoekje bij de filterkoffie (vijf euro per kopje) en gerieflijke easy listening-jazz.

De andere mensen die hier zijn neergestreken hebben het ook naar hun zin. Het stel naast mij sluit de lunch af met champagne en een torentje van macarons, een oudere heer in coltrui wordt gevoerd door zijn vrouw (of maîtresse) en de vriendinnengroep naast mij gaat met elk glas wijn geambieerder praten.

Ik voel me steeds meer een sfeerspons terwijl ik hier als laptoparbeider tussen deze bon-vivants zit. Mijn ritselende getyp voelt als een daad van passieve agressie tussen de lachsalvo’s en de klinkende glazen. Alsof ik iedereen subtiel probeer duidelijk te maken dat er OOK NOG MENSEN ZIJN DIE MOETEN WERKEN. Zo’n lul wil ik niet zijn. Met pijn in mijn hart pak ik na drie koffie mijn boeltje in en trek verder, de wijde wereld in. Ik kom wel weer terug als het weekend is.

Begraafplaats

Mijn werkplek op de begraafplaats.

De begraafplaats
Ik verkas naar een plek waar sowieso niemand plezier heeft: de begraafplaats. Er zijn geen rustiger collega’s dan de doden. Het ruikt naar dennenbomen, er zijn eekhoorntjes en vlinders. De grafstenen staan in geruststellend gelijkmatige rijen opgesteld, als computers op een kantoor. Kleine plukjes mensen en eenzame weduwnaars lopen rouwend langs terwijl ik op een bankje plaats neem. Ik kom in de perfecte stemming om te schrijven (het liefst poëzie vol weltschmerz), maar voel me bezwaard om mijn laptop open te klappen. Hier zou mijn getyp niemands feestvreugde verpesten, maar het zou mensen wél uit hun contemplatieve grafstemming halen.

Ik verstuur in plaats daarvan wat melancholische mailtjes vanaf mijn telefoon, totdat ik uit mijn concentratie gehaald word door - ja, zelfs hier - één of ander luidruchtig apparaat; de grasmaaier van de overburen. Bijna tegelijkertijd gaat bij één van de grafbezoekers een ringtone af die over het kerkhof galmt. Is er dan geen enkele plek waar een mens even rustig kan werken? Terwijl ik verbolgen wegbeen passeer ik de futuristische rustplaats van astronaut Wubbo Ockels (R.I.P.). Mijn frustratie verdwijnt als ik besef hoe betrekkelijk het bestaan is. Zo vlieg je door de ruimte, zo lig je onder de grond.

Ikea werkplek

Het kantoor in de showroom van de Ikea.

De showroom van de meubelzaak
De kantoorafdeling in de showroom van de Ikea is de meest optimale werkplek. Er is een stekkerdoos voor mijn laptop, bureaustoel Järvfjället is één brok ergonomisch genot en roomdivider Bekånt zorgt ervoor dat ik beschut zit te typen.

De langshobbelende stoet klanten geeft me het geruststellende gevoel dat er nog altijd mensen zijn die hun leven aan het opleuken zijn met nieuwe meubels. Alsof de langzaam oplevende economie aan me voorbij trekt. Een bellende vrouw buigt zich over mijn bureau. “Hij ziet er goed uit, en je kunt hem in hoogte verstellen!”, zegt ze in haar telefoon, doelend op het bureau. Precies! Een prima bureau. Haar positiviteit doet me goed, net als de motiverende slogan boven mijn hoofd: “Let’s talk business, we’re here for you!”

Voor ik het weet ben ik een dik uur en een half artikel verder. Ik vraag me af wat ik moet zeggen als iemand me vraagt wat ik hier eigenlijk aan het doen ben. Als ik zeg: “Ik werk hier,” moet ik ze misschien gaan helpen met het uitzoeken van de juiste opbergsysteemkast, maar “ik werk hier niet” zou een grove leugen zijn. De spagaat van de digitale nomade. Gelukkig valt geen mens me lastig, en het is de honger die me uiteindelijk richting het IKEA-restaurant stuurt.

In een gezapige rij wachten op je eten, het is zo kantorig als het maar zijn kan. Voor mij staan drie obese vijftigers. “Wat heb je?”, vraagt één van hen aan de kantinejongen. “Kippenballen…”, zegt deze, waarop de man zich naar voren buigt tot hij met zijn hoofd bijna het spuugscherm raakt. “HEB JIJ KIPPENBALLEN?! WHAHAHA!”, schreeuwt hij. Zijn collega’s schuddebuiken beleefd mee. Slechte humor - zelfs dat heb ik gemist.

Eindoordeel
De nomaden die ik sprak hopen dat hun levensstijl populairder wordt nu veel mensen verplicht moeten thuiswerken. “De corona laat werkgevers zien dat het ook anders kan. Je hoeft niet op kantoor te zijn, in principe kan je overal prima werken,” zei Esther. Ikzelf ben er na mijn dagen als digitale nomade achter gekomen dat er maar één werkplek boven kantoor gaat. Het kantoor dat gemaakt is om het idee van een kantoor te verkopen.