"Politici zouden er goed aan doen wat meer sciencefiction te lezen"
Foto: Lenny Oosterwijk

"Politici zouden er goed aan doen wat meer sciencefiction te lezen"

Auke Hulst over Slaap zacht, Johnny Idaho en het genre dat hij liefheeft.
13.12.16

Dit gesprek is onderdeel van onze nieuwe reeks Het Grote Interview. De komende maanden praten we met de mensen die zich bezighouden met de grote ontwikkelingen die onze directe toekomst gaan bepalen. Deze week: auteur Auke Hulst.

In Amerika is al jaren een herwaardering van de sciencefiction aan de gang. Scifiromans bevinden zich er niet louter in het domein van pokdalige mannen die met kruidige lichaamsgeuren in het openbaar vervoer over ruimtegevechten lezen. Zo werd Ursula K. Le Guin, de grande dame van de Amerikaanse sciencefiction, een paar jaar terug geëerd met een belangrijke literaire prijs van de Amerikaanse letteren. En met enige regelmaat worden stukken gepubliceerd die betogen dat we meer sciencefiction nodig hebben, omdat het ons kan helpen de wereld te begrijpen. Menig drijvende kracht achter de tech-revolutie, denk aan Elon Musk, is bovendien met sci-fi opgegroeid en laat zich daar nog door inspireren.

Advertentie

In Nederland moet die sciencefiction-revival echter nog plaatsvinden. Althans, sciencefiction kan hier amper op literaire bijval rekenen. Op Auke Hulst na. Vorig jaar werd zijn boek Slaap zacht, Johnny Idaho gepubliceerd, een sciencefictionroman die zich afspeelt op een kunstmatige eilandengroep. In de samenleving op die eilanden houden drones je in de gaten, hebben corporaties bijna absolute macht en zorgt hyperkapitalisme voor extreme segregatie. En onlangs publiceerde hij En ik herinner me Titus Broederland, eveneens een boek met fantastische elementen. Hulst is daarmee een van de weinige literair erkende sciencefictionschrijvers van Nederland, die het genre bovendien liefheeft. Waarom schrijven zo weinig Nederlandse auteurs sciencefiction? Waarom ligt het genre hier zo moeilijk? En zouden meer mensen het moeten schrijven? Over dat soort dingen spraken we.

MOTHERBOARD: Hoe kwam je erbij om een sciencefictionboek te schrijven?

Auke Hulst: Als tiener had ik een verhaal geschreven over een intergalactische rockster. Daar kwam de zin "Slaap zacht, Johnny Idaho" in voor. Het verhaal heb ik weggegooid, maar de titel heb ik bewaard: een titel op zoek naar een boek. Zo'n tien jaar geleden kwam daar het idee bij om een eilandstaat gesticht door multinationals te beschrijven. Dat heeft daarna jarenlang liggen sudderen. Het kwam op scherp te staan door de crisis van 2008, toen duidelijk werd dat de belangen van grote bedrijven en banken diametraal tegenover de belangen van gewone burgers stonden. Die groeiende kloof tussen arm en rijk, wat ik typeer als economische apartheid, dat werd de aanzet.

Advertentie

En wat wilde je daarmee vertellen?

Waar het mij uiteindelijk om gaat in het boek is dat je op een zeker moment een sociale ordening creëert waarin iedereen verliest, omdat het een oorlog van allen tegen allen wordt. Ook de zogenaamde winnaars verliezen dan. Wat volgens mij het allerbelangrijkste is, is dat het hyperkapitalisme een samenleving teweegbrengt waarin iedereen geïsoleerd raakt. Het boek gaat dus alleen maar over eenzame mensen, over eenzaamheid.

Over eenzame mensen gesproken: als kind las je al scifi.

Ik begon met lezen toen ik twaalf was. Ik kreeg een bibliotheekpas, maar ik vond kinderboeken stom. Ik was een snob, die boeken waren zwaar onder mijn niveau. Ik heb eens geprobeerd Oorlog en Vrede te lezen, maar dat bleek dan weer zwaar boven mijn niveau. Vervolgens kwam ik The Moon is a Harsh Mistress tegen, van Robert Heinlein. Als iets me aan het lezen heeft gekregen was dat het – een shot heroïne. Ik plunderde de bieb in Slochteren, waar ze natuurlijk maar één kast scifi hadden. Ik reserveerde dingen die ze van elders moesten halen. Vervolgens begon ik te kopen. Ik maakte al mijn zakgeld eraan op, wat een variabele hoeveelheid was. Soms was het heel veel, omdat mijn moeder weer een nieuwe scharrel had, en daar trokken we dan geld uit. Ik zette dat om in boeken.

Wat waren je favorieten?

Ender's Game. Ik geef het vaak cadeau aan mensen om ze met scifi kennis te laten maken. Philip K. Dick lees ik ook vaak, Samuel R. Delany, Ursula K. Le Guin, Barry Malzberg. Hij heeft een paar dunne romans geschreven, over de psychologische effecten van ruimtevaart op individuen, wat ruimtevaart met je hoofd doet. Er zit geen groen mannetje of laserzwaard in, wat trouwens zelden voorkomt in scifi, da's een beetje een misvatting. En wat ik het vaakst heb herlezen – naast Ender's Game en The Moon Is a Harsh Mistress – is Jack Vance, puur vanwege de rijkdom van de taal. Het is een beetje reisliteratuur, maar dan in de ruimte en met een verhaal erin.

Advertentie

Begon je toen als kind ook al met schrijven?

Meteen. Het voelt alsof ik een week na het ontdekken van sciencefiction ook begon te schrijven. Ik heb hier in een kast nog handgeschreven dingetjes liggen. Stukjes daarvan heb ik gebruikt in mijn autobiografische roman Kinderen van het ruige land.

Wat sprak je als kind zo aan in die boeken?

Ergens was het lezen vluchtgedrag. Het mooie van het genre is dat het je enerzijds escapisme biedt, maar dat het – via een omweg – ook zoveel wezenlijke vragen oproept over de wereld waarin je leeft. Dat je toch wordt uitgenodigd de confrontatie met de wereld aan te gaan, of de wereld te bevragen. Het is natuurlijk een van de meest filosofische genres die je kan verzinnen. Dat dubbele vond ik heel mooi. Een vluchtweg, en het aangaan. Dat is in principe het schrijven ook. Je creëert een wereld, die wereld zit in je hoofd, en die schrijf je op om chocola te maken van de wereld buiten je hoofd.

De laatste jaren raakte het idee in zwang dat sciencefiction een genre is waar meer aandacht aan moet worden besteed, waar meer schrijvers zich mee bezig moeten houden. Hoe kijk jij daar tegenaan?

Die gevleugelde uitspraak 'the future is now', was nooit meer waar dan nu. Dit is de meest futuristische tijd die wij hebben meegemaakt. Als je als schrijver iets over de wereld wil zeggen, is het logisch dat je schrijft over kwesties die in opkomst zijn: de invloed van internet en surveillance, het verdwijnen van privacy, robotisering. Al die dingen zijn superbelangrijk. Ik vind dat ik daar als schrijver wat mee moet, maar ik ben een van de weinigen. Er is bijna geen literatuur over. De mainstream literatuur van nu, door de bank genomen, gaat over een soort van gedetechnologiseerd nu. Op het moment dat je wel over die dingen gaat praten, gaat het al heel snel op scifi lijken.

Advertentie

Hoe verzon je de futuristische zaken in je boek?

Ik heb veel onderzoek gedaan, dit was het enige boek waarbij ik tijdens het schrijven twee schermen open had staan, een scherm waarop ik aan het schrijven was, en een ander scherm waarmee ik continue dingen aan het opzoeken was. Ik wilde heel dicht bij de stand van de ontwikkelingen blijven. Het idee was: ik beschrijf een wereld die in eerste instantie futuristisch lijkt, totdat je denkt 'hallo, we zijn hier eigenlijk al'. Die weblenzen, contactlenzen die voortdurend in verbinding met netwerken staan, kwamen bijvoorbeeld voort uit Google Glass, maar er is al een Zwitsers bedrijf dat een rudimentaire versie van zulke lenzen maakt. En drones die alles in de gaten houden zijn er ook al. Ik zat hier te schrijven, en iemand in de straat had een drone. Dus zo nu en dan kwam dat ding voorbij mijn raam gevlogen. De werkelijkheid was ook de hele tijd het boek aan het inhalen. En dat vond ik goed. Iemand in het boek speelt Go, omdat Go het enige spel was waarbij de wereldkampioen nog niet was verslagen door de computer. Maar helaas, dat is inmiddels gebeurd.

Toch krijgt sciencefiction als het over 'de ruimte' of 'de toekomst' gaat vaak een negatief label.

Ja, terwijl het een potentere manier is om het over de wereld van nu te hebben dan wanneer je het 'gewoon' over de wereld van nu hebt.

Waarom?

Omdat je dingen kan aanscherpen en uitvergroten. Door ze metaforisch te maken, allegorisch te maken, door ze abstracter te maken en daardoor filosofischer. Dat zijn allerlei manieren waarop je het nu kan aanvliegen via het straks.

Advertentie

Haha!

In de Amerikaanse literatuur zijn ze denk ik een heel stuk verder, wat dat betreft. Sowieso is de genrevermenging daar al langer gaande. In het Nederlandse taalgebied heb je Hanna Bervoets en Joost Vandecasteele. Er zijn wel wat mensen mee bezig. Maar er zijn ook nog heel veel mensen bezig met een kroontjespen. Bij wijze van. Waar op zich niet zoveel mis mee is, op individueel niveau. Een schrijver moet doen wat-ie wil. Maar je kunt je wel afvragen of de literatuur als geheel op zeker moment nog wel over de wereld gaat.

Wat kan scifi bereiken?

Ik weet wat het voor mij heeft gedaan: het heeft mijn denken gestimuleerd. Zeker die oude scifi waarmee ik opgroeide, wat ze de Golden Age of Science Fiction noemen. Je wordt daarin de hele tijd met filosofische ideeën en gedachte-experimenten geconfronteerd, en dat gaat ook in je eigen denken zitten. Je manier van naar de wereld kijken verandert erdoor. Ik denk dat dat heel belangrijk is, en dat het voor politici goed zou zijn als ze meer scifi zouden lezen, omdat ze zich dan iets meer geestelijke souplesse voor een doortimmerd vergezicht kunnen aanmeten. We hebben al met al natuurlijk te maken met een clubje visieloze digibeten.

Je vindt dat er meer scifi zou moeten worden geschreven.

Ik denk dat het heel goed zou zijn, de Nederlandse scifi is een beetje een getto. Ik denk dat het voor het genre goed zou zijn als de invloed van mainstream literatuur groter zou worden, zodat het een literaire stap zou kunnen maken. Tegelijkertijd zijn er veel vooroordelen tegen het genre zelf. De enige reden waarom er op een boek als Orwells 1984 geen label 'scifi' zit, is vanwege de vooroordelen tegen het genre.

Advertentie

Orwell is een groot schrijver, dus wat hij heeft geschreven is geen scifi – is dat de gedachte?

Precies. Er is een fantastisch voorbeeld, in de Volkskrant van een paar maanden terug. Erik van den Berg besprak De man in het hoge kasteel, van Philip K. Dick. Dat boek is in een nieuwe vertaling uitgegeven door Lebowski, zonder dat daar het label scifi op is geplakt. Het is natuurlijk een scifiklassieker, het is het bekendste voorbeeld van een subgenre in de scifi – dat van 'alternate history' – waar mijn boek ook een beetje onder valt. Die recensent schreef iets als – ik ga kort door de bocht – "eigenlijk is scifi niks voor mij, ik vind dat prut, ik vind dit boek goed, dus het is geen scifi." Je moet natuurlijk zeggen: ik vind dit goed, dus vind ik iets binnen scifi goed. Misschien moet ik mijn vooroordelen een beetje bijstellen.

Waarom is er geen betere Nederlandse sciencefiction?

Ik ken het wereldje een beetje en je ziet dat de sciencefictionwereld in Nederland nog een beetje in de fase zit waar de Amerikaanse in het verdere verleden zat: dat het wereldje erg op zichzelf gericht en in zichzelf opgesloten is. Terwijl ik geloof dat zo'n wereld uiteindelijk uit de schulp moet kruipen om kwalitatief een stap te maken. Als je met z'n allen in zo'n club zit, hoe gezellig ook, is er toch altijd het gevaar dat er niet genoeg ruimte is voor kritische beschouwing. Maar ik heb de indruk dat allerlei initiatieven, van ondermeer de Stichting ter bevordering van het fantastische genre, helpen daar beweging in te krijgen.

Advertentie

Is dat de stichting die ook achter de Harland Awards Romanprijs zit, die jij met Johnny Idaho hebt gewonnen?

Klopt. Aan die prijs zit trouwens een vreemd en akelig verhaal vast. Toen ik achttien was, was ik nogal politiek geïnteresseerd, net als mijn broer. Samen hebben we een politieke partij opgericht. Op slinkse wijze was het ons gelukt mijn broer op de kieslijst voor de Tweede Kamer te krijgen. Hij was lange tijd de jongste persoon die ooit verkiesbaar was. Je komt dan in de kringen van kleine politieke partijtjes terecht. We maakten kennis met een clubje dat precies dezelfde ideeën had als wij. Wij waren de Jong Sociaal Liberalen, zij het Sociaal Liberaal Forum. We zijn gefuseerd, en gingen zo van tien naar twintig leden. Bij het forum zat de inmiddels overleden, Nederlandse scifischrijver Paul Harland, die eigenlijk Paul Smit heette. Ik vond dat natuurlijk interessant, een echte scifischrijver.

En toen?

Paul en ik hadden het veel over scifi en ik kwam ook bij hem thuis. Hij stimuleerde me om een verhaal op te sturen naar wat toen de King Kong-award heette. Op een zeker moment verloor ik hem uit het oog, omdat het niks werd met de politiek. Ik hoorde dat hij was verhuisd naar Tiel en was getrouwd met iemand die hij op internet had ontmoet, iemand uit voormalig Joegoslavië. Weer later hoorde ik dat-ie was vermoord door deze man. In eerste instantie leek het zelfmoord, maar Paul schreef hele boeken in het Engels, en er lag een zelfmoordbrief bij in bar slecht Engels. Een opmerkelijke voetnoot in dit verschrikkelijke verhaal is dat de verhalenwedstrijd later naar Paul Harland is hernoemd, omdat hij veel heeft gedaan voor het promoten van het genre in Nederland. Vorig jaar hebben ze voor het eerst, naast de verhalenwedstrijd, een romanprijs ingesteld. Die staat hier, tot mijn vreugde, in de kast.

Je nieuwste boek En ik herinner me Titus Broederland heeft ook fantastische elementen. Typeer je het als scifi?

En ik herinner me Titus Broederland is een vreemd beest – het speelt in een iets andere wereld dan de onze, ogenschijnlijk een wereldomspannend platteland dat qua ontwikkelingsniveau ongeveer rond 1900 bivakkeert. De winning van grondstoffen speelt er een belangrijke en destructieve rol – deels geïnspireerd op de aardbevingsproblematiek die op mijn Groningse geboortegrond leeft – maar het betreft hier een soort rode olie die "aardbloed" heet, en die de grond letterlijk uitholt. En het is een streng religieuze wereld. Maar hoewel de religie op het Christendom lijkt, zijn er ook daar weer duidelijke verschillen. Het boek vertelt het verhaal van tweelingbroers die voor Duivelskinderen worden aangezien en zich het vege lijf moeten redden. Het is lastig er een genrelabel op te plakken. Het is zeker geen fantasy, want er zijn geen magische elementen. Het voelt een beetje als een historische roman in een parallelle wereld. Maar toen ik het er met een kenner van genreliteratuur over had, zei hij: "Je bedoelt dat je gewoon weer een sciencefiction-roman hebt geschreven." Er past heel veel in die la – het is net de knapzak van Douwe Dabbert – dus misschien is dat gewoon wat het is.

Het nieuwe boek van Auke Hulst 'En ik herinner met Titus Broederland' is onlangs uitgekomen bij Ambo | Anthos. Het is een zeer goed boek.