FYI.

This story is over 5 years old.

Drugs

Hoe ik vrienden werd met een Afghaanse opiumkoning en hem vervolgens verraadde

DEA-agent Edward Follis infiltreerde in het netwerk van een Afghaanse opiumkoning, werd goede vrienden met hem en liet hem inrekenen.
Max Daly
London, GB
10 maart 2015, 11:29am

Edward Follis (links) en Hajji Juma Khan (Foto eigendom van Edward Follis)

Tachtig procent van alle ballonnetjes versneden heroïne die uiteindelijk in Liverpool, Berlijn of Amsterdam terecht komen, is afkomstig van een kleine groep belachelijk rijke Afghaanse opiumhandelaars. Omdat ze de taliban, die nog steeds veel macht heeft, financieel steunen kunnen ze ongestoord te werk gaan, en houden ze met hun opium de Afghaanse economie in stand.

Deze mysterieuze opiumhandelaars zijn populaire doelwitten van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA), de veiligheidsdiensten, en het leger. Van 2006 tot 2008 infiltreerde DEA-agent Edward Follis in de organisatie van een van 's werelds grootste opiumhandelaars Hajji Juma Khan, een miljardair die de taliban financierde.

In The Dark Art: My Undercover Life in Global Narco-Terrorism, vertelt Follis over zijn ervaringen als infiltrant. Van al deze wilde verhalen springt de tijd in de organisatie van Juma Khan eruit, omdat Khan uiteindelijk een goede vriend van hem werd. Ik belde Follis om te praten over zijn hechte band met deze invloedrijke drugsbaas, die hij uiteindelijk moest verraden.

Een drugseenheid verbrandt een heroïne-opslaghuis in Afghanistan

VICE: Juma Khan was een buitengewoon machtige opiumhandelaar en hij is duidelijk niet dom. Hoe ben je tot zijn organisatie doorgedrongen?
Edward Follis: We hadden elkaar leren kennen via een wederzijdse vertrouwenspersoon, die ons aan elkaar had voorgesteld omdat we elkaar van dienst zouden kunnen zijn. Ik loog niet over wie ik was – het hoofd van de DEA in Kabul – maar ik vertelde dat er wel met me te praten viel, en dat ik het op zijn concurrenten gemunt had, wat voor hem natuurlijk gunstig zou zijn.

Onze eerste ontmoeting was in een chique Perzisch restaurant. Hij was in de vijftig, bijna twee meter lang, en woog zo'n 160 kilo. Ik was er niks bij. Ik herinner me dat hij met moeite door de deuropeningen paste. Op zijn postuur na zag hij eruit als elke andere Afghaanse zakenman. Hij droeg eenvoudige kleren, en speelde constant met zijn gebedskralen. Hij at als een bootwerker en was extreem vriendelijk en charismatisch.

Dus dit was geen korte, zakelijke ontmoeting?
Het is gebruikelijk in het Midden-Oosten om niet meteen tot zaken over te gaan. Er moet eerst wat voorspel plaatsvinden, als het ware. Het kost tijd om elkaar te leren kennen en tot een vertrouwensband te komen. Het duurde twee jaar, veel langer dan gebruikelijk, voordat we genoeg bewijs hadden om hem te veroordelen voor zijn banden met de taliban. We brachten dus erg veel tijd met elkaar door.

Ik ben nieuwsgierig naar de gespreksonderwerpen van een DEA-agent en een Afghaanse opiumkoning, tijdens een etentje.
Aanvankelijk wilde hij niet over zijn handel praten. We hadden het vooral over onze gezinnen, onze levens en ons lot. Hij had 14 vrouwen en 29 kinderen. We hadden het ook veel over religie. Hij was erg gelovig; de Koran kende hij uit zijn hoofd. Soms nam hij me mee naar de moskee, waar ik tot God bad en hij tot Allah. We keken samen The Passion of the Christ. Hij zei dat hij nooit had begrepen waarom God zijn zoon zo had laten lijden.

Hij was absoluut geen fundamentalist. Hij vond 9/11 een tragische gebeurtenis. Hij vond dat Bin Laden, een kennis van hem, dit nooit had mogen doen. Hij vertelde dat hij meeleefde met de families van de slachtoffers.

Wat voor man was Juma Khan?
Hij was even oud als ik. Ik zat bij de marine toen hij in de loopgraven tegen de Russen vocht. Hij was een geniale zakenman, opgegroeid in armoede. Hij had van alles overleefd: de Soviet-bezetting, burgeroorlogen, de taliban, al-Qaida. Al die tijd bouwde hij aan zijn imperium.

Hij zag zichzelf als de leider van zijn stam. Hij was een sterke, trotse man binnen de gemeenschap, en hechtte daar veel waarde aan. Ik hoorde nooit iets negatiefs over hem. Hij hield ervan om geprezen te worden en hij was erg vrijgevig. Ik heb nooit ergens voor hoeven betalen, en hoewel het haram is kwamen de obers na een etentje altijd aanzetten met een fles dure whisky.

In het boek schrijf je dat hij voelde als een broer voor je. Je liet hem zelfs naar Washington DC vliegen voor een controle door een kankerspecialist, las ik.
Om eerlijk te zijn was het erg fijn om tijd met hem door te brengen. Ik voelde me bij hem meer op m'n gemak dan op de ambassade. Sommige andere spionnen vertrouwden me niet – ze beweerden dat ik informatie over raketaanvallen op de ambassade achterhield.

We hadden echt een hechte band. Op een dag merkte ik op dat hij een gezwel op zijn borst had en ik dacht dat dat wel eens kanker zou kunnen zijn. Ik heb zelf ooit een melanoom weg laten snijden en liet hem mijn littekens zien. Ik wilde hem in Washington laten behandelen, maar er bleek uiteindelijk niets aan de hand. Ik hielp gewoon een vriend en tegelijkertijd bouwde ik zo vertrouwen op. We hadden nog niet genoeg bewijs om hem te arresteren, dus vlogen we hem terug naar Afghanistan.

Heeft jullie vriendschap de DEA uiteindelijk veel opgeleverd?
Hij was een belangrijke figuur in de wereldwijde heroïnehandel, en ons doel was om de geldstroom naar de taliban en al-Qaida te stoppen. Zijn organisatie was allesomvattend: ze hielden zich bezig met het kweken van de papaver, het produceren van de heroïne en de transport. Daarnaast had hij hechte banden met de Karzai-overheid. Uiteindelijk heeft hij veel betekend voor ons. Hij was onze informant en leverde belangrijke informatie die we aan het leger doorspeelden.

Een anti-opiumposter in Afghanistan. Foto door Todd Huffman via

En toen moest je hem inrekenen.
In 2008 zette ik de laatste stap. Ik moest hem uit Afghanistan zien te krijgen, omdat het te gevaarlijk was om hem ter plekke te arresteren. Ik vertelde dat ik gepromoveerd was naar Iran, en dat we elkaar daar ook zouden kunnen helpen. We zouden het hier in Jakarta over gaan hebben. Op het vliegveld tilde hij me op alsof ik zijn zoontje was en kuste hij me op mijn wang. Even later werd hij gearresteerd en naar de VS gevlogen. Sindsdien zit hij daar vast voor het financieren van terrorisme. Hij zal nooit meer vrijkomen.

Voel je je hier schuldig over?
Nou, ergens heeft het hem ook geholpen. Ik heb zijn leven gered. Hij stond namelijk op de 'kinetic list', een lijst met doelwitten voor drones, en hij was bijna aan de beurt. Hoe dan ook, ik had het erg zwaar op het vliegveld. Ik zag hem nadat hij gearresteerd was en we hadden even oogcontact. Hij kon zijn ogen niet geloven en ik schaamde me diep. Ik ging achter een pilaar staan want ik kon niet naar hem kijken. Ik voelde me net een klein kind. Maar ja, het zou onmenselijk zijn om je niet zo te voelen. En als ik geen menselijke kant had zou ik ook niemands vertrouwen kunnen winnen. Je moet jezelf eraan herinneren dat dit de jongens zijn die de taliban en al-Qaida financieren, dat houdt je op de been.

Zul je hem ooit nog een keer zien?
Ik kan hem niet opzoeken. Hij zou me haten – hij leefde als een koning, en daar heb ik een einde aan gemaakt. Mijn vrouw weet dat ik hier slapeloze nachten over gehad heb, en ja, ik heb het er nog steeds moeilijk mee. Ik heb hem nooit uit kunnen leggen dat hij op de dronelijst stond. Op een dag komt hij voor de rechter en daar zal ik hem zien.

Ik heb het mobieltje waar we altijd mee belden nog steeds; hij ligt hier voor me. Hoewel hij twintig telefoons had, nam hij altijd op als ik belde.

The Dark Art: My Undercover Life in Global Narco-Terrorism van Edward Follis wordt uitgebracht door Scribe Publications.