Food by VICE

De barman van café Pollux is altijd in voor een praatje, behalve op maandag

We dronken samen een gin-tonic en spraken over hoe het is om de beste barman van Amsterdam te zijn, darkrooms en die onontkoombare jukebox.

door Adriana Ivanova; foto's door Maarten Delobel
14 september 2018, 9:54am

Eigenaar/barman Frits en hond Belle

Welkom bij Last Call, een rubriek waarin we bij doorgewinterde barmannen en -vrouwen aan de toog hangen om wat van hun levenswijsheid op te doen. Van hoe je over een gebroken hart heenkomt tot welke drankjes je niet moet bestellen als je niet uitgelachen wil worden.

Donderdagmiddag, vijf voor twee. Het regent pijpestelen en dat blijft nog wel even zo, voorspelt Buienradar. Met natte sokken loop ik Café Pollux aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam binnen, waar ik heb afgesproken met eigenaar en barman Frits Aalbers (51).

Fotograaf Maarten zit al binnen. De barvrouw, Myrthe, begroet me. “Frits komt er zo aan, hoor,” zegt ze. “Kan ik alvast iets voor jullie inschenken?” We bestellen thee en nog voordat ik met mijn ogen kan knipperen, klapt Myrthe de theekist voor me open op de bar. Alle theezakjes zitten in doosjes die lijken op kleine boeken.

Uit de speakers knalt de ene klassieker na de ander: Rosanna, Come On Eileen, Smells Like Teen Spirit. Met mijn hete kopje in de hand hobbelen Maarten en ik naar een wat stiller hoekje en strijken neer op een bank bekleed met schapenvachten. De ruimte is gehuld in een deken van fluorescerend licht. Langs de muur rust een jukebox.

Myrthe achter de bar

Volgens het internet is dit de beste bar van Amsterdam; Pollux staat sinds kort op nummer één bij Tripadvisor. Omdat je iets wat online staat nooit zomaar moet geloven, kom ik vandaag zelf poolshoogte nemen. Of, nou ja, een praatje maken met eigenaar Frits over tinnitus, schoonheidsslaapjes en darkrooms.

Pollux stamt uit 1881. Frits’ vader, oorspronkelijk schoenmaker, maakte na de Tweede Wereldoorlog een carrièreswitch. Hij kocht het café, dat destijds De Amstelsprong heette, en doopte het om tot Pollux, naar het Amsterdamse opleidingsschip. Frits stond als puber al achter de bar om zijn vader te helpen, samen met zijn broer en zus. Nadat hun vader in 1990 overleed, nam hij het café over. Inmiddels is Frits zo’n 35 jaar barman.

Kastelein Frits glimlacht vriendelijk, geeft ons een hand en komt naast me zitten met een kop thee.

MUNCHIES: Frits, mijn kortetermijngeheugen is een zeef. Vind je het goed als ik ons gesprek opneem?
Frits Aalbers: Ja hoor. Ik heb mijn gehoorapparaat in gedaan want ik ben een beetje doof geworden. [lacht]

O jee, door het kroegleven?
Misschien. Of door mijn walkmannetje van vroeger. De muziek staat hier nooit echt veel harder dan dit, maar misschien lijkt dat alleen zo. In de weekenden wordt er weleens gedanst.

Op Tripadvisor wordt Pollux geprezen om zijn gastvrijheid en gezelligheid. Dat is best een prestatie in een stad als Amsterdam, die daar nou niet echt bekend om staat.
Nee, maar ik vind dat iedereen hier altijd gezellig ontvangen moet worden, of het nou een oude buurtbewoner is, een nieuwe klant, een toerist of iemand die op de bus staat te wachten.

Is die ongastvrijheid in de Amsterdamse horeca iets van de laatste tijd?
Dat is altijd al zo geweest. Ik vind dat toeristen hier eigenlijk nooit echt goed of aardig zijn behandeld. Het hangt natuurlijk wel af van wat voor soort toerist je bent. Maar je snapt wat ik bedoel. Die ongastvrijheid is iets Europees. In Parijs is dat ook zo. Alleen Duitsland is een uitzondering.

En dit café.
Precies. We doen het niet helemaal op z’n Amerikaans, dat is voor mij te gemaakt. Maar het is leuk als je hier als voorbijganger binnenloopt om te schuilen voor de regen en daarna als mijn vriend weer naar buiten loopt.

Twee mensen lopen in plastic regenpakken de zaak binnen, gevolgd door een vrouw met kort, blond haar die zich aan mij en Maarten voorstelt als Helen. Ze is Frits’ huidige partner en werkt hier ook als barvrouw. “Hebben jullie wel genoeg te drinken?” vraagt ze. “Willen jullie wat eten?” Ik werp een blik op de tafel, waar drie volle theeglazen op staan. Maarten en ik zeggen dat we voorzien zijn en bedanken.

Wat is het bizarste dat jullie hier hebben meegemaakt?
Helen: Op een zondagochtend lag hier een leuke, homoseksuele jongen op de stoep. De avond ervoor zag hij er nog beeldschoon uit, in z’n Gucci-jasje. Maar hij was beroofd en had geen jas, schoenen, geld en telefoon meer. Myrthe had hem gespot toen ze het café opende. Hij lag bijna naakt onder een paar schapenvelletjes. Gelukkig was het zomer.

En toen?
Toen haalden we hem binnen. Hij wilde een koffie verkeerd, een tosti en een joggingbroek. Die kreeg-ie. Hij vroeg ook of we een wasje voor hem wilden draaien, omdat z’n eigen broek vies was. Op dat moment liep er een Duitse meneer binnen die vroeg of hij een mobieltje mocht lenen om zijn chauffeur mee te bellen. En vlak daarna liep Bram Moszkowicz binnen. “Bram, nu even niet,” zei ik. “Ik heb de hele ochtend al gekken over de vloer.” Het was nog maar elf uur ‘s ochtends.

Hoe liep dat af?
De Duitse meneer, die een musicus bleek, werd opgehaald in een limousine met geblindeerde ramen en gaf ons een fooi van 50 euro, omdat hij hier mocht bellen. De bestolen jongen werd rond vieren opgehaald door zijn partner. Bram en ik kennen elkaar van vroeger, trouwens.

Ik begin te begrijpen hoe jullie aan al die lovende reviews komen. Staan hier ook objecten met een mooi verhaal?
Frits: Vroeger hadden we hier een paal staan, maar in 2000 moest die weg. Palen en darkrooms werden toen verboden in Nederland.
Helen: Nu klimmen ze in de lampen.
Frits: Ja, we kunnen beter weer een paal neerzetten. [lacht]

En de jukebox, is die populair?
Frits: Ja, hartstikke. Hij functioneert alleen niet meer zoals het hoort.
Helen: Op de twee-euromunt niet, maar wel op de één-euromunt. Hebben jullie de vrouw met de microscoop al gezien, op de heren-wc? Die is ook leuk voor op de foto!

Frits bestelt een biertje bij Myrthe. “Zal ik een lekkere gin voor jullie maken?” vraagt Helen aan Maarten en mij. Maarten stemt in. Ik zeg dat ik bijna nooit drink. “Dan doe ik er weinig alcohol in,” antwoordt ze. Het is half drie. “Moet kunnen!” zegt Frits. Helen duikt achter de bar.

Jullie zijn tot in de kleine uurtjes open. En om tien uur ‘s ochtends zwaaien de deuren alweer open. Hoe hou je dat vol?
Frits: Rond deze tijd ga ik meestal naar boven voor een schoonheidsslaapje voor de tv, een powernap van een uurtje. Daarmee kan ik de avond in. Op z’n vroegst lig ik dan om vier uur weer in bed. De volgende dag gaat het om half tien weer los. Dan beginnen de telefoontjes van de leveranciers.

Poeh, korte nachten. En dat zes dagen per week.
Ja. Alleen op maandag ben ik vrij, want dan zijn we dicht. Die dag is dan ook heilig, die hou ik echt voor mezelf. Meestal ga ik dan naar de sauna of spa. Even helemaal tot rust komen.

Dan wil je even geen mens meer zien.
Precies! Dan ben ik mensenschuw. [lacht]

Heb je nog wel tijd voor een sociaal leven?
Dat schiet er nog weleens bij in. Sommige vrienden vieren hun verjaardag maar hier, zodat ik er ook bij ben. Je collega’s worden op een gegeven moment ook wel een beetje je familie. En als een vaste stamgast er een week niet is, dan begin ik me af te vragen waar diegene is.

Helen zet twee spectaculaire gin en tonics op tafel: eentje met een lange stengel citroengras, en één met rode pepers, eetbare viooltjes en een badeendje. “Happy landing!” roept Frits. Helen vraagt of Maarten de kelder met speciaalbieren wil zien, en de twee gaan van tafel.

Wist je na de dood van je vader meteen dat je de zaak wilde overnemen?
Dat is nooit mijn plan geweest. Mijn vader en ik werkten hier samen, als vrienden en compagnons. Toen hij kwam te overlijden wilde ik er eigenlijk mee stoppen. Maar met mijn broer, zus en moeder, die de boekhouding deed op de achtergrond, besloten we er toch mee door te gaan.

En toen?
Dat ging tien jaar goed, daarna groeiden we uit elkaar. Mijn moeder werd ouder, mijn broer wilde iets anders doen, mijn zus kreeg kinderen en de zaak werd een beetje mijn kindje. Eerst runde ik het café met mijn eerste vriendin, die zes jaar geleden overleed. Nu run ik het met Helen. We zijn tweeënhalf jaar samen.

De rest ging zijn eigen weg, maar jij besloot werk te blijven maken van je vaders kroeg. Waarom?
Omdat ik het leuk vond én vind. Elke keer sta ik weer met plezier achter de bar. Het is altijd een nieuw feestje. Soms loop ik hier ook te micromanagen: de kussens opkloppen, de viltjes recht leggen. Dat soort dingen. Maar ja, als ik heel eerlijk ben: er is ook niet veel ander werk dat ik nog kan doen. Tenzij ik net als mijn vader ook de schoenmakerij in ga en een hakkenbar begin. Dat zou nog wel kunnen. [lacht]

Frits, Belle en Helen

Moet je als barman vaak ellendige verhalen aanhoren?
Ja, die mensen zijn er ook. Soms hoor ik achteraf: “Frits, je hebt me door zo’n rottige tijd gesleept.” Maar ik ben me daar dan helemaal niet bewust van. Ik probeer het gewoon altijd gezellig te maken en denk op zo’n moment alleen maar: wat een leuke jongen, of wat een leuke griet.

Na zoveel jaren achter de bar zit je vast vol met wijsheden.
Ik vind het lastig om dat over mezelf te zeggen.

Is er niet een bepaald levensadvies dat je vaak meegeeft aan klanten?
Geniet van ieder moment. Mensen doen dat te weinig, hebben te veel stress. Neem gewoon even lekker een time-out of een borrel.

Maarten en Helen schuiven weer aan. Ik neem nog een paar slokken van mijn G&T. Na een uur in de watten te zijn gelegd, nemen we afscheid van de kastelein en zijn vriendin. Buiten is het inmiddels weer opgeklaard. Terwijl ik mijn jas aantrek, verdwijnt Helen de bijkeuken in. Een minuut later komt ze terug en overhandigt me een waterfles met infuser, bedrukt met het Pollux-logo en de tekst “What happens in the Pollux, stays in the Pollux.” Helen vraagt of ik snel weer langskom voor een gin en tonic. Ik beloof haar dat te doen.