Identiteit

Nederlandse vrouwelijke wetenschappers over seksisme op de werkvloer

“Mensen gaan ervan uit dat ik de secretaresse ben, terwijl er duidelijk 'dr.' op mijn naambordje staat.”

door Carleen de Jong; illustraties door Elzeline Kooy
14 juli 2017, 2:31pm

Illustratie door Elzeline Kooy

In de wereld van wetenschap is een vrouw, vooral in de hooglerarenkamer en in belangrijke besturen, nog een vrij zeldzaam verschijnsel. Het gaat iets beter dan voorheen, maar in 2016 was 18 procent van de hoogleraren een mens met een vagina, en door onverdedigbare salarisverschillen lopen vrouwen miljoenen mis. Minister Bussemaker bemoeit zich er wel mee, maar van een glazen plafond is onder professoren wel degelijk sprake: het Landelijke Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) publiceerde vorig jaar de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2016, en daarin wordt zelfs gesproken van de Glazen Plafond Index: de GPI.

Volgens bureauhoofd Lidwien Poorthuis van het LNVH zijn universiteiten inderdaad nog altijd "witte, mannelijke bolwerken waar niet genoeg ruimte is voor vrouwen en minderheden om in- en door te stromen." Ze vertelt aan Broadly dat er verschillende beoordelingsmomenten zijn voor wetenschappers wanneer je een rang omhoog wilt. "Hoe hoger op de carrièreladder een vrouw komt, hoe meer vooroordelen er zijn over het idee dat vrouwen minder goede wetenschappers zijn dan mannen. De beoordelingscommissies zijn heel erg gestoeld op mannelijke vormen van excellentie," zegt Poorthuis.

Via de LNVH kent Poorthuis vele verhalen van vrouwen die niet meer op een universiteit of voor een wetenschappelijke organisatie willen werken, als gevolg van de seksistische werksfeer. "Ik ken vrouwen die zwanger werden en van de universiteit waar ze werkten geen of heel moeilijk zwangerschaps- of ouderschapsverlof kregen. Toen ze ontslag namen, kregen ze onmiddellijk een nieuwe baan in het bedrijfsleven, waar ze ook nog veel meer betaald kregen. Die bedrijven wilden zelfs het geld betalen dat de universiteit terugvroeg voor het opgenomen zwangerschapsverlof. Zo waardevol zijn deze vrouwen dus, en die laten ze in de wetenschappelijke wereld gewoon lopen."

Broadly sprak vier vrouwelijke wetenschappers over seksisme en vooroordelen, over witte-mannencultuur, flirtende professoren en denigrerende opmerkingen.

Robin* (29 jaar)

Mannen worden in de wetenschap serieuzer genomen dan vrouwen, en daardoor vraag ik me vaak af of ik nog wel verder wil in deze wereld. De werkdruk is enorm hoog, en ik twijfel sowieso of dat iets is wat ik wil de rest van mijn leven. Ik wil ook geen oneerlijk concessies doen om hogerop te komen, bijvoorbeeld door geen gezin te stichten. Veel vrouwelijke hoogleraren hebben geen kinderen of partner, terwijl mannelijke hoogleraren gewoon een gezin hebben. Vrouwen moeten voor de kinderen zorgen, en dat is blijkbaar niet te combineren met dit werk.

Ik ga als promovendus regelmatig naar conferenties waar ook vooraanstaande onderzoekers uit mijn veld komen. Oudere vrouwelijke collega's waarschuwen me voor de mannen, die nemen vrouwen blijkbaar niet serieus als wetenschappers. Ze zien ze in de eerste plaats als lustobjecten, niet als mensen die echt interessante, intelligente dingen te zeggen hebben. Dat vind ik moeilijk en oneerlijk, omdat je daardoor dus niet met de mensen kunt praten waar je mee wil praten. Als je dat wel doet, is het slecht voor je carrière, dat werkt tegen je. Het zijn de belangrijkste mensen uit het veld, en daar kan je als jonge vrouw eigenlijk geen contact mee hebben.

Ik heb ook meegemaakt dat een professor bij een werkbijeenkomst met andere professoren grapjes maakte over de lengte van de rokjes van zijn studenten – dus meisjes van een jaar of achttien. De opleiding moest goed voor de dag komen, dus werd voorgesteld om dan maar wat meer studenten in korte rokjes op de foto zetten. Daar werd hartelijk om gelachen. Dit soort dingen gebeuren heel vaak en dat zegt veel over wat deze mannen van vrouwen vinden – en deze mensen horen bij de slimste mensen van Nederland. Dit zijn de rolmodellen waar ik als jonge vrouwelijke wetenschapper naar zou moeten opkijken, maar hier pas ik echt niet tussen.

Klik hier voor meer illustraties van Elzeline

Anna* (41 jaar)

Ik ben er nu al vier jaar mee bezig om van universitair docent naar universitair hoofddocent te gaan. Elk jaar worden er wel weer redenen bedacht waarom ik beter nog even kan wachten. Vorig jaar zei het bestuur dat me voor moest dragen bijvoorbeeld dat ik beter nog een jaar kon wachten, omdat er dat jaar alleen maar mannen in de beoordelingscommissie zaten. Ik zou volgens hen meer kans maken als er ook vrouwen in de commissie zaten. Een ander jaar zeiden ze dat ik nog jonge kinderen had, dus dat het niet handig was om op dat moment meer verantwoordelijkheden te krijgen en dus minder thuis te zijn. Ze verpakten het als goedbedoeld advies, waardoor ik ook niet direct doorhad hoe raar het was. Maar een mannelijke collega die precies zo ver was als ik en ook jonge kinderen heeft, kreeg toen wel een kans. Er heerst dus een idee dat een man niet thuis hoeft te zijn voor de jonge kinderen, maar een vrouw wel - zelfs als je een ambitieuze wetenschapper bent.

Verder heb ik te maken met verschillende kleine voorvallen. Ik word bijvoorbeeld vaak 'mevrouw' genoemd terwijl mijn mannelijke collega's met hun titel worden aangesproken. En mijn kantoortje en die van een mannelijke collega zitten naast een ruimte met postvakjes, een koffiemachine en een printer. Er wordt heel vaak bij mij aangeklopt met vragen over hoe de printer werkt, welk postvakje van wie is, enzovoorts. Die mensen gaan er dus vanuit dat ik de secretaresse ben, terwijl er duidelijk "dr." op mijn naambordje staat. Die ene mannelijke collega krijgt die vragen nooit, terwijl zijn deur net zo dichtbij de printer is. Ik werk nu vaak thuis omdat ik dus te vaak gestoord word.

Else* (34 jaar)

Ik was promovendus op een technische universiteit en toen ik zwanger werd, wist mijn promotor niet goed hoe hij daarmee om moest gaan; zijn eerste vraag was hoe het nu dan verder moest met het project. Hij – en andere collega's – snapten niet dat iemand die bezig was met een promotieonderzoek ook zwanger zou worden. In hun hoofd waren die twee dingen niet met elkaar te combineren.

En toen ik mijn kind eenmaal had gekregen, gingen mensen ervan uit dat ik vanaf dat moment ook niet meer naar het buitenland zou gaan voor mijn werk. Ik kreeg bij de koffieautomaat zelfs de opmerking: "Jij zou veel liever thuis willen zijn, hè?" Blijkbaar was het voor deze mensen de standaard dat vrouwen het liefst minder zouden willen werken en veel tijd met hun kinderen willen doorbrengen. Ik vond het juist heerlijk om weer aan de slag te gaan. Toen mijn gezin en ik naar de Verenigde Staten vertrokken omdat ik daar een postdoc kon gaan doen, bleef mijn man thuis om voor de kinderen te zorgen.

Zo zijn er nog wel wat voorvallen. Ik vertelde bijvoorbeeld een keer dat ik een discussie had gewonnen, en toen zei een professor: "Maar dat komt omdat je zo mooi en jong bent." Dat was mijn eerste ervaring met seksisme in de wetenschap, en ik was geschokt. Op zulk soort momenten wil ik dan het liefst iets terugzeggen, maar meestal word ik pas echt boos na afloop, als ik weer in mijn kantoor zit.

Inmiddels werk ik niet meer in de wetenschap, maar ik heb voor mijn werk nog steeds wel veel contact met professoren. Wat ik vooral merk, is dat je je als vrouw echt moet bewijzen voordat een man naar je luistert.

Flora* (41 jaar)

Ik ben vorig jaar aan een hogeschool gaan werken; hiervoor was ik universitair docent. Ik heb deze keuze gemaakt omdat ik niet het gevoel had dat ik op de universiteit verder kon komen in mijn carrière. Er werkten voornamelijk mannen en tussen hen heerste een ontzettende vriendjespolitiek. Ik merkte dat de vrouwen die er werkten geen aansluiting vonden en niet de ruimte kregen om volledig tot hun recht te komen. De mannelijke collega's gingen in de pauze bijvoorbeeld altijd samen computerspelletjes spelen. Dat zorgde voor een band tussen hen, maar het sloot anderen zoals ik buiten.

Door die hechte groep die ze hadden gecreëerd kregen vooral deze mannen de kans om door te groeien. Als er bijvoorbeeld nieuwe vacatures waren, kregen de vrouwelijke collega's dat niet te horen. We moesten het via via horen. En als we wel solliciteerden wisten we eigenlijk al dat iemand uit de hechte groep de baan zou krijgen. De andere vrouwen en ik werden niet op onze capaciteiten beoordeeld en er werd niet naar ons geluisterd. Als we bijvoorbeeld ideeën inbrachten, werd er wel gezegd dat het goede ideeën waren, maar werd er vervolgens niks mee gedaan.

Op de hogeschool heerst er een veel minder competitieve sfeer dan op de universiteit. Ik zit nog steeds voornamelijk tussen mannen, maar hier werkt dat veel minder nadelig voor mij. Op de universiteit moet je er heel erg voor zorgen dat je opvalt. Jij wil de enige expert zijn op jouw gebied, er wordt veel minder samengewerkt. Ik wil ideeën en kennis delen, maar op de universiteit kunnen je ideeën dan zomaar worden gejat. Ik denk dat mannen strategischer zijn in die sfeer. Die delen kennis minder snel en gaan er op strategische manieren met ideeën van anderen vandoor.

* Echte namen zijn bekend bij de redactie