japan

Het stigma dat rust op de Japanners die Fukushima overleefden

"Mijn schoonzus zei dat ik niet naar haar huis mocht komen. ‘Je bent besmet’, zei ze.”
16 maart 2018, 3:06pm

Het is deze maand zeven jaar geleden dat er een driedubbele ramp plaatsvond aan de oostkust van Japan. Op 11 maart 2011 zorgde een aardbeving met een kracht van 9.1 op de schaal van Richter voor een tsunami, die vervolgens een meltdown veroorzaakte in de kerncentrale bij Fukushima. Bijna 16.000 mensen kwamen om.

Terwijl de nucleaire ramp bij de meeste Japanners steeds dieper in het geheugen wegzakt, is het voor anderen nog steeds de dagelijkse realiteit. Mensen die zijn gevlucht voor de ramp worden gediscrimineerd, gescheiden van hun geliefden, en in sommige gevallen zelfs gedwongen om terug te keren naar het rampgebied.

Omdat de overheid bezorgd was dat mensen zouden worden blootgesteld aan straling, werd er een evacuatiezone uitgeroepen in een straal van twintig kilometer rondom de kerncentrale. Bijna 165.000 mensen raakten ontheemd. Nog steeds zijn er 50.000 mensen die nog niet terug zijn gekeerd naar Fukishima.

Een van hen is de 66-jarige Keiko Owada. Als ik haar ontmoet ik Tokio, vertelt ze dat ze de Japanse hoofdstad de afgelopen als haar thuis is gaan zien. Maar dat gaat binnenkort veranderen, omdat de overheid heeft besloten om de subsidie voor gratis huisvesting stop te zetten.

Omdat het ontsmetten van het gebied voorspoedig verloopt en het voedsel vrij is gebleken van straling, is bepaald dat het voor de meeste dorpjes in de evacuatiezone veilig is om terug te keren. Dat geldt ook voor het dorp Naraha, waar Owada vandaan komt. Twee jaar geleden werd het evacuatiebevel opgeheven.

Owada staat niet te springen om terug te keren naar Nahara. “Als ik financiële steun zou blijven ontvangen voor mijn appartement in Tokio, dan zou ik hier blijven. In Nahara is er niet eens een ziekenhuis, alleen een klein ziekenhuis voor Eerste Hulp. Er is geen supermarkt, alleen een klein winkeltje. Logisch ook, want er is maar een handjevol mensen teruggekeerd.”

Het leven als evacuee is niet altijd gemakkelijk, legt Owada uit. “Niet dat mensen me anders behandelen, maar de buren groeten me bijvoorbeeld nooit. Ik denk dat het te maken heeft met de compensatie die ik heb gekregen, en de gratis woning. Ze weten dat ik uit Fukushima kom.”

Andere evacuees die Owada kent hebben het zwaarder te verduren. “Ik ken mensen wiens auto beschadigd is omdat ze een nummerbord uit Fukushima hebben. Daarom parkeer ik altijd in een hoekje van de parkeerplaats, waar niemand het kan zien, en niet in het midden.”

Wat Owada’s verhaal laat zien is dat er nog steeds veel evacuees zijn die in angst leven. Ontheemd, neergeploft in nieuwe gemeenschappen – de ramp is voor deze groep nog verre van voorbij.

Owada is al vaak teruggegaan naar Fukushima. Ze kan zich de eerste keer, in 2011, nog goed herinneren. Nahara was nog onbegaanbaar, en zij en haar familie hadden maar een uur de tijd. “We droegen beschermende kleding tegen de straling en hadden maar één plastic zakje waarin we wat persoonlijke spulletjes konden stoppen. We hadden te weinig tijd, het zakje was te klein voor de hele familie. Ik kan me de geur die er hing nog goed herinneren. Er waren overal ratten en het rook naar poep van kleine dieren.”

Keiko Owada. Foto door Tanja Houwerzijl

Natuurlijk zijn er dingen die ze mist aan haar oude dorp, zoals het verbouwen van groente en fruit op haar land. Maar dat neemt haar zorgen over de gevaren van blootstelling aan straling niet weg, ondanks dat de overheid zegt dat het veilig is om er te wonen.

“Ook al zijn de straten en de huizen ontsmet, de bergen en de bossen zijn dat niet. De straling is niet overal weg. Mijn huis staat vlak naast de bergen, dus mijn huis zou zomaar besmet kunnen zijn.”

De 66-jarige Akiko Kamata herinnert zich nog hoe verrast ze was toen het tsunami-alarm afging, in haar dorp Odaka. Als ik haar ontmoet in een café in Tokio, herinnert ze zich hoe ze moest schuilen in Fukushima, de eerste paar weken na de ramp. “Ik weet nog dat ik voor het eerst een bad kon nemen na tien dagen. Heerlijk.”

Toen Kamata contact zocht met familieleden elders in Japan, was ze geschokt door de reactie van een van haar schoonzussen. “Na de ramp wilde ik naar Chiba vluchten. Ik belde mijn familie daar en mijn schoonzus nam op. Ze vertelde me om niet naar hun huis te komen. ‘Je bent besmet’, zei ze tegen me.”

Een luchtfoto van Sukuiso, in Japan, een week nadat een aardbeving en tsunami het gebied verwoestte. US Navy-foto door Mass Communication Specialist 3rd Class Dylan McCord/Gepubliceerd via Flickr-gebruiker US Navy Page

Het lukte haar uiteindelijk wel om een plek te vinden in Chiba, de regio waar ze als kind opgroeide. “Mensen waren aardig tegen ons in Chiba. Maar ik merkte ook dat ze sceptisch waren. Toen ik de regionale autoriteiten vroeg om financiële steun, zeiden ze: ‘Nee, de mensen in Chiba zijn ook slachtoffer van de aardbeving.’”

Kamata kreeg wel een eenmalige compensatie van TEPCO: 7 miljoen yen per persoon, iets meer dan 50.000 euro. Haar man ontving een soortgelijk bedrag.

Ook al is Kamata dankbaar voor het geld, een evenredige compensatie voor het verlies dat haar familiebedrijf in Odaka heeft gemaakt is het amper. “Ik zit eraan te denken om hulp in te schakelen van een organisatie die gespecialiseerd is in het helpen van evacuees met dit soort claims.”

Kamata heeft besloten om niet terug te keren naar Odaka. De ziekte van haar man (een zenuwaandoening waardoor hij afhankelijk is van Kamata’s steun) is erger geworden tijdens de evacuatie. Ze is bang dat het nog erger wordt als ze terug naar Fukushima verhuizen.

Als Kamata terugdenkt aan het leven in Fukushima, rolt er een traan langs haar wang. Ze spreekt haar vrienden nauwelijks meer.

“De ramp heeft gemeenschappen uit elkaar gerukt, zowel fysiek als mentaal. Mensen zijn elkaar kwijtgeraakt. Een vriend van mij in Chiba denkt eraan om te scheiden van haar man. Hij wil dat zij terugkomt naar Fukushima, maar zij wil dat niet. Onder andere vanwege de straling, maar er zijn meer redenen, zoals haar kind dat naar school gaat en het feit dat ze gewend zijn geraakt aan het leven in Tokio.”

Er is nog een verhaal dat ze wil delen, zegt Kamata huilend. “Een vriend van me is boer in Odaka. Ze had tien koeien. Ze evacueerden naar Chiba, net als ik, en konden niet terug naar Fukushima om de koeien te voeren. Toen ze eindelijk voor het eerst terug konden, waren er nog drie in leven. De anderen waren omgekomen van de honger. Ze keken allemaal dezelfde richting op, naar de weg waar de boer normaal altijd vandaan kwam om ze te voeren.”