Advertentie
cultuur

Oobah Butler schreef een boek over hoe je je een weg naar de top lult

Lees een fragment uit het nieuwe boek van de VICE-schrijver, ‘How To Bullsh*t Your Way To Number 1: An Unorthodox Guide To 21st Century Success’.

door Oobah Butler
03 mei 2019, 11:08am

Foto door Eric Jenkins-Sahlin

VICE-schrijver Oobah Butler heeft onlangs zijn eerste boek uitgebracht. We wisten hem een fragment uit het eerste hoofdstuk te ontfutselen, Adventures in Being a Bullshitter, dat je hieronder kunt lezen. Het boek is er alleen in het Engels, maar speciaal voor jou hebben we dit fragment vertaald.


Ik denk dat iedereen weleens bullshit verkoopt. Soms ben je je er niet bewust van, maar toch doe je het, dag in, dag uit. Niemand is te goed voor bullshit. Niet om er te diepzinnig over te doen, maar bullshit is inherent aan de menselijke psyche – telkens als je je eigen persoonlijkheid naar buiten projecteert, in de richting van andere mensen, met een air van zelfvertrouwen, dan is dat bullshit. Elke keer als je je gedachten deelt met anderen, via je mond, dan ben je een beetje aan het bullshitten. Een beetje geluid maken om te laten weten dat je bestaat. Bullshit. Wees niet bang om een bullshitter te zijn – iedereen doet het.

De eerste keer dat ik bullshit verkocht was een groot succes. Ik was vijf jaar oud, zat op het strand met mijn familie, en mijn vader had alle kinderen wat geld gegeven om speelgoed te kopen. Impulsief als ik was kocht ik een speelgoedpistooltje, een klein plastic ding dat elektrische zoemgeluidjes maakte als je de trekker overhaalde. Je kent ze wel. Waarschijnlijk had je er als kind zelf ook een. Het was een prima ding.

Maar mijn nichtje, die twintig minuten later naar de speelgoedwinkel ging, slaagde erin om iets veel beters te vinden: een pijl en boog (die echt kon schieten!), en misschien heeft de tijd mijn herinneringen wat aangedikt, maar de boog was net zo groot als zijzelf en kon kilometers, wat zeg ik, honderden kilometers ver schieten. Ik moest ook een pijl en boog hebben. Maar ik had mijn geld al uitgegeven, en mijn vader was onverbiddelijk. Geen pijl en boog voor mij.

Ik wil graag duidelijk maken dat ik inmiddels, met veel moeite en hulp van een therapeut, mijn vader heb kunnen vergeven. Maar op het moment zelf was ik razend. De overlevering van het incident is moeilijk te factchecken, maar mijn broers waren het er unaniem over eens dat ik zo kwaad was, dat ik ineens verdween. Ik kom uit een groot gezin – ik heb vijf broers en zussen – dus het was makkelijk om ertussenuit te knijpen. Na een tijdje begonnen mijn ouders zich wel een beetje zorgen te maken (“Waar is Oobah?”), wat uiteindelijk leidde tot een gezamenlijke inspanning om mij te vinden. Ze vonden me terug aan het einde van het strand, aan de voet van de boulevard bij de winkels en de parkeergarage. Ze troffen me aan met een grijns op m’n bleke gezicht, zonder shirt aan, met m’n handen achter mijn rug.

Ik was een zeeschelp aan het verkopen aan een volwassen man, voor 20 pond.

Wat er gebeurd was in de paar minuten dat ik was verdwenen, was het volgende: met een emmertje in mijn hand zocht ik het strand af naar een schat – een glimmend steentje hier, een interessante schelp daar, een paar kleine krabbetjes die ik vond in een plas – en had ze op mijn handdoek uitgestald als een straatverkoper.

Zou je een interessante schelp van een 26-jarige man kopen? Ik denk het niet. Maar toen ik nog een schattig, ondernemend jochie was, werkte dat wel. Gewapend met jeugdigheid, charme en mijn handdoek vol strandschatten lukte het me om genoeg te verkopen om een pijl en boog én een ijsje te kopen. De hele wandeling terug naar de auto straalde ik als het zelfvoldane kleine monstertje dat ik was. Het was de eerste keer dat ik van bullshit had geproefd, maar het smaakte naar meer.

Op mijn vijftiende zaten twee van mijn broers en ik in een band. Natuurlijk neemt niemand een band vol puisterige tieners serieus, dus het was lastig om betaalde optredens te regelen in de buurt. We deden mee met talentenjachten en open mic nights in pubs waar ze niet zo streng op leeftijd controleerden. Maar echt een vaart liep het niet. Tot ik op het idee kwam om Martin Davey aan te nemen.

Martin Davey was een artiestenmanager van middelbare leeftijd, met een schorre stem, een zwaar cockney-accent en jaren aan ervaring in het begeleiden van veelbelovende jonge bands. Davey bestond eigenlijk alleen aan de telefoon, als ik naar venues belde en zei dat ik de manager van een band was. En het werkte. Niet altijd, maar vaak wel. Bands met een manager doen het beter, dus ik had voor een manager gezorgd. Dat het in werkelijkheid gewoon een stemmetje was dat ik opzette nadat ik teveel Guy Ritchie-films gezien had, mocht de pret niet drukken.

Het ging een paar maanden lang goed. We boekten het soort optredens waar, toegegeven, grote stadionrockbands niet trots op zouden zijn, maar we deden het wel beter dan andere lokale bands. En toen wisten we het tot Madhouse te schoppen, een grote oefen- en speelruimte in Birmingham, waar ons plan uit elkaar viel.

Het bleek namelijk dat deze tent op een nogal achterhaalde manier werd gerund: alle bands die optraden moesten een verplichte vergoeding betalen om kosten als beveiliging en personeel te dekken. Ik had geen idee, omdat ik vijftien was, en een idioot, en toen mijn band en ik daar verschenen was ik dan ook geschokt toen ze direct vroegen waar Martin Davey was. “Hij had ons van tevoren moeten betalen!” werd ons verteld. “Je kan niet optreden zonder te betalen!” Ik kon alleen maar mijn schouders ophalen terwijl zij wanhopig de telefoon belde die in mijn broekzak zat. “We werken alleen met hem,” probeerde ik, met geveinsde onschuld. “We hebben geen idee waar hij is.”

Uiteindelijk mochten we spelen, en dat ging eigenlijk heel goed (volgens de zes fans – van de acht – die er die avond waren), en na de show kregen we zelfs excuses aangeboden van het personeel. “En de jongens van deze band”, luidde de aankondiging toen we het podium op liepen, “hebben een vervelende avond gehad, sorry dat jullie manager jullie in de steek heeft gelaten! Geef ze een hartelijk applaus, dit is The Meek!” Bullshit had gewonnen.

Naarmate mijn tienerjaren vorderden begon ik mijn dwaze bullshitavonturen los te laten. Dat kwam door een combinatie van dingen. Deels kwam het door afkeurende geluiden in mijn omgeving – ik wilde graag als volwassen gezien worden, en daar hoorden dit soort capriolen niet bij. De overgang van tiener naar jongvolwassene voltrok zich relatief bullshitvrij.

En toen kwam ik in een sleur terecht. Wonen in een schuurtje, stilstaande carrière, muffe kleding. Ik deed werk waar ik niet in geloofde en waar ik niets bij voelde. Ik verdiende net genoeg om rond te komen, maar veel te weinig om comfortabel te kunnen leven. Rekeningen stapelden zich op, net als stress en schulden.

En toen ontmoette ik Georgio Peviani. En werd mijn vertrouwen in bullshit hersteld.