Hoe Salar Azimi Patro Eisden redde van de ondergang
Roos Pierson
Sport

Ik beleefde de derby van Patro Eisden met multimiljonair Salar Azimi

Hij gaf de club hernieuwde trots, en een all-inclusive restaurant in de viplounge.
foto's door Roos Pierson
22 januari 2020, 2:54pm

Naast een gesloten steenkolenmijn in een uithoek van Belgisch Limburg ligt het stadion van Patro Eisden. Patro, gesticht door een plaatselijke kapelaan in 1942, is een van de laatste nog overgebleven traditionele mijnwerkersclub. Alle andere traditieclubs moesten noodgedwongen fuseren, en ook Patro was hard bezig om failliet te gaan en te verdwijnen in de diepste krochten van het amateurvoetbal. De mijnwerkersclub zou, net als de mijn waaruit die voortkwam, voor altijd een herinnering zijn geworden.

Totdat Patro vorig jaar opeens kampioen werd, en ook nu weer op de nominatie staat om te promoveren. Het plotselinge succes is te danken aan de 37-jarige Nederlands-Iraanse multimiljonair Salar Azimi die de club vorig jaar kocht. Toen Salar (die ik een beetje ken omdat ik hem eens interviewde) me uitnodigde voor een “vipdinner” met aansluitend de derby tussen Patro en aartsrivaal Thes Sport kon ik dit wonder met eigen ogen aanschouwen, onder het genot van wat glazen champagne en een all-inclusive buffet.

Salar staat bekend als een selfmade-man, die vanuit het niets een zakenimperium met telefoonwinkels, een partyboot en een hotel uit de grond stampte. Ik ging ervan uit dat hij een eigen voetbalclub slechts als een volgend hoofdstuk in zijn tycoonschap beschouwde. Salar was al langer op zoek naar een club om te kopen, en via een vriend hoorde hij bij dat Patro weleens een goede deal kon krijgen. De miljonair vindt het chic om een eigen club te hebben. “Het draagt bij aan mijn bekendheid en geeft mogelijkheden om te netwerken,” vertelt hij aan de telefoon. Maar hij ziet Patro Eisden ook als een investering. Salar wil Patro binnen zeven jaar naar het hoogste niveau helpen, wat “tientallen miljoenen overwaarde” zou creëren.

Salar staat niet bekend om zijn subtiliteit, en ging rigoureus te werk. Hij stuurde het vierendertigkoppige bestuur naar huis en leidt nu de club met met zijn broer Sasan, hun vrouwen en ouders en de Vlaamse ex-sterkeeper Stijn Stijnen. “Je kunt niet met zoveel mensen gaan overleggen. Het moet een werkbare situatie zijn binnen de familietak, klaar. En je ziet: we zijn kampioen geworden, en nu staan we derde.” President Salar heeft naar eigen zeggen geen enkele weerstand gemerkt tegen zijn toch wat oligarchische aanpak.

Sterker nog: hij wordt op handen gedragen. “Tijdens wedstrijden scanderen de supporters mijn naam door het stadion.” Het zal waarschijnlijk te maken hebben met de goede resultaten. Toch ben ik wel benieuwd hoe het voor de trouwe fans was dat hun traditieclub werd overgenomen en ingrijpend veranderd. Ik ga voorafgaand aan de derby met ze naar de kroeg om daarachter te komen.

De Patro Fanatics ontmoeten elkaar in Café Taverne Pondarosa. Tussen huizen van crèmekleurig baksteen met grote punthekken ervoor stijgen barbecuewalmen op. De harde kern grilt spiesjes onder een partytent. Een brede man met diamanten oorbellen vraagt of ik de reporter ben. Het is David Jeunen, de erevoorzitter van de Fanatics die me hier heeft uitgenodigd. Hij hangt me meteen een paarse geblokte sjaal om met een gebreid schreeuwend mannetje om. “Die krijg je van ons."

David heeft mijnwerkersbloed, en ook de liefde voor Patro zit in zijn genen. Zijn grootvader is uit Polen gekomen om in de mijn te werken. “En mijn vader, die heeft er ook gewerkt. Mijn onkels. Maasmechelen is multicultureel he? Turken, Marokkanen, Italianen en Polen kwamen hier voor een betere toekomst. Ze gingen allemaal naar Patro kijken op zondag.” Toen de mijnen sloten, werd er een gapend gat geslagen in de begroting van de club, die mede daardoor nu afhankelijk is van investeerders als Salar.

Salar heeft er zelf misschien niks van gemerkt, maar hij heeft wel degelijk het vertrouwen van de supporters moeten winnen, zegt David. Dat had vooral te maken met zijn voorganger, Wayne Woo, of in Davids woorden: “Die Chinees die Patro naar de ondergang heeft geduwd.” Ook Woo kwam binnen met grote beloften. “Hij zei tegen ons: de sky is de limit. Dat horen supporters graag. Maar na een maand of twee zagen we dat alles in het honderd liep. Er kwamen Engelse spelers die hier nog niet op het laagste niveau mee zouden kunnen draaien. Dan stuurde de Chinees een sms'je vanuit Engeland: die spelers moesten opgesteld worden. Patro was dood,” concludeert David, maar hij heeft geen wedstrijd overgeslagen. “Het doet pijn, het is hard, maar wat moesten we doen? We zouden Patro nooit in de steek laten.”

Davids neef Bjorn komt erbij staan. Ook hij heeft een sterke sieradengame; om zijn nek hangt een gouden ketting met daaraan een Egyptische ankh. “We waren nog maar met dertig man op de tribune, en je kunt niks doen he?”, zucht hij. “We stonden met 6-1 achter, we waren boos, en op een gegeven moment zegt de keeper: ‘Ik heb mijn taak volbracht.’” Hierin zag Bjorn een mogelijk bewijs voor wat iedereen al lang vermoedde: matchfixing. “Toen ben ik naar de federale politie gegaan. De hele gokaffaire in het Belgisch voetbal is dankzij mij aan het licht gekomen.”

Toen Salar in beeld kwam als mogelijke redder van de club, geloofden de supporters niet meer in wonderen. “We kenden hem van de televisie, maar we waren toch een beetje argwanend,” zegt David. “Maar na een dikke twee weken had hij ons vertrouwen gewonnen. Hij doet wat hij zegt, hij is een man van zijn woord. Hij heeft Patro écht gered, Patro leeft weer. Het is een sprookje. En hij doet ook veel voor de gemeenschap. Met kerst mogen de oude mannekes bij hem in het restaurant komen eten.” Hier valt geen onvertogen woord over Salar, het enige waarover geklaagd wordt is dat je niet meer, zoals vroeger, voor twee gulden naar de wedstrijd kunt.

Eén van de fanatics maakt weer elke week een urenlange reis vanuit zijn woonplaats in Nederland, naar zijn geboortegrond om bij de wedstrijden te zijn. “Toen die Chinees er zat ging ik niet meer. Ik heb mijn vader ook verboden om te gaan. Het was een en al gokmaffia.” Hij kan zich er nog steeds kwaad over maken. “Salar is ook een speciale man, natuurlijk. Je kunt toch nooit zo rijk worden met een hotel? Ik weet niet waar zijn geld dan wél vandaan komt, maar dat maakt niet uit hè? Het is goed voor de club. Hij is er voor de mensen. En zo gaat het bij elke club toch? Behalve Ajax, misschien.”

De kauwgomballenautomaten en de dj, die o.a. een hardstyle-versie van Mariah Carey draaide.

Buiten klinkt een knal. Tussen het roken door gooien de fanatics af en toe een rotje op een stuk braakliggend land tegenover de Pondarosa. In hun achterzakken zitten paarse fakkels die straks afgestoken zullen worden. Hoe meer spiesjes er worden gegeten, hoe bloeddorstiger de fanatics worden. “Dit wordt de derby van het jaar! Thes en Patro, wij haten elkaar!” zegt David terwijl hij langsloopt. “Als het moet gaan we vanavond vechten op parking M-2, achter Maasmechelen Village, twintig tegen twintig.” Ik vraag of hij zelf ook gaat vechten. “Natuurlijk! Ik bijt iemands oor eraf!” Ikzelf ben een beetje bang, maar desalniettemin hyped. Ik zou het liefst nu al naar het stadion gaan.

De fanatics houden zich daarentegen strak aan hun eigen planning. Misschien moet hun enthousiasme nog wat langer sudderen, of ze hebben gewoon geen zin om nu al op een tochtige tribune te zitten. Ik ben uitgenodigd voor het dinerbuffet – onbeperkt eten – in de businesslounge, en mijn geduld wordt nog verder op de proef gesteld door enkele berichtjes van Salar: “Je bent te laat,” stuurt hij. “Het is hier leuk en gekkenhuis in de vip.” Maar de fanatics gunnen mij dit decadente plezier niet. “Ach, die rijke mensen,” zegt de forens-fanatic. “Kijk om je heen! Hier gebeurt het.”

Ik verbijt mijn vip-fomo, en wacht toch maar op de mars van de fanatics, die, eerlijk is eerlijk, niet teleurstelt. In een wolk van paarse rook en explosies trekken ze door de aangeharkte winkelstraat. Ze zwaaien met vlaggen en zingen angstaanjagende liederen. “Wij zijn Patro, Patro Eisden, iedereen die haat ons! Patro Eisden.”

De Patro Fanatics marcheren naar het stadion onder leiding van David.

Pyro's in een woonwijk.

Het stadion van Patro.

Het grimmige fanatisme dat me inmiddels in zijn greep had gekregen wordt even later in het all-inclusive restaurant snel verdreven dankzij lounge-jazz en welkomstchampagne. Het Patro-paars contrasteert prachtig met de gele krulletters die ‘Saint Tropez’ spellen; de naam van de bar. Middenin het restaurant staat een gigantische palmboom en de huiswijn van de gebroeders Azimi (hun hoofden prijken op het etiket) vloeit rijkelijk.

Vips in de businesslounge bij Patro Eisden.

De auteur in de rij voor het buffet.

Bij het buffet kun je je eindeloos te buiten gaan aan grote stapels mosselen, zalmsteaks, gevulde coquilles, garnalensalade, gegrilde kip, koteletten, pestokrieltjes, penne in roomsaus, een vitrine vol frikandellen, friet met verschillende soorten sauzen, Perzische zoetigheden op een zilveren schaal, watermeloen, honingmeloen, carambola’s, een chocoladefontein, en acht smaken schepijs met eventueel wat slagroom, discodip of nootjes. Met juwelen behangen dames en heren met vlinderstrikken staan in de rij voor de desserts als we binnenkomen. Het is simpelweg fabulous en inderdaad, ik waan me in Saint Tropez in plaats van in het businessgedeelte van een amateurclub nabij een gesloten kolenmijn. Salar staat op van tafel en verwelkomt me hartelijk. Dan vraagt hij hoe het was bij de fanatics. “Wat zeiden ze over me? Waren ze blij met me?” Voor een oligarch geeft hij erg veel om de mening van het volk. Ook de rest van de avond zie ik hem gesprekjes voeren bij de tafeltjes in het restaurant. Ik verzeker hem snel dat het allemaal wel goed zit met zijn imago. Het buffet wacht!

Annika en Salar op de tribune.

Voetbal kijken vanuit de viplounge.

Vips op business seats.

Als we klaar zijn met eten zit Salar tussen zijn entourage op de businesstribune. Zijn vrouw (en Patro-bestuurslid) Annika neemt haar designertas op schoot zodat ik naast haar kan zitten. Ze komt naar bijna alle thuiswedstrijden kijken. “Soms mis ik een keertje, als de kinderen jarig zijn, bijvoorbeeld.” Annika was nooit echt een voetballiefhebber, “maar als het je eigen club is, dan komt dat vanzelf.” Twee mannen op de rij onder me praten Perzisch en toeteren uitgelaten op rood-wit-groene vuvuzela’s. Een van hen zegt uit Khoy te komen, dezelfde stad als Salar. “Onze ouders zijn al veertig jaar vrienden.” Nu woont Salars jeugdvriend in het Vlaamse Beveren. Als ik hem vraag of hij ook een voetbalclub bezit, ontkent hij lachend. Er is een schot op doel, en de man uit Khoy begint druk te toeteren.

Salars drankje, dat bij zijn voet stond, is in de consternatie omgevallen, en een jongen die voor hem zit gaat naar de bar om een nieuw glas te halen. Ik ga mee, want ik heb dorst. “Ik ben een beetje Salars rechterhand,” zegt de jongen, terwijl we ons een weg langs natafelende vips banen. “Ik ken hem al van kinds af aan, en zie hem als mijn oom.” Hij gebaart naar de barman, die een limonadeglas begint vol te schenken met Grand Marnier. “Nog een beetje meer.” Met zichtbare tegenzin schenkt de barman het glas tot de rand vol.

Salars vriend blaast op twee vuvuzela's tegelijk.

Ik ga met mijn drankje even aan tafel zitten bij Sarah, in Patro-vest en met kinderwagen, en Gerty, in groene jurk en behangen met fonkelende juwelen. Het spektakel op het veld is meer iets voor hun mannen, en dus zitten ze vaak de hele avond samen te praten. Ook gezellig. Sarah herkent me van mijn eerdere interview met Salar, en ze kent Salar omdat ze een stichting runt die mensen uit arme gezinnen een leuke dag bezorgt, op kosten van lokale weldoeners. Ze is zich er erg van bewust hoe geld een verschil kan maken. “Mensen hier in het restaurant hebben allemaal 60 euro betaald, dat is het weekbudget van een alleenstaande moeder in de bijstand.” Ze is dan ook blij dat Salar dichtbij de mensen staat en een bijdrage leverde aan haar stichting. “Salar vergeet niet waar hij vandaan komt,” zegt ze goedkeurend.

Gerty beaamt het, al is ze er niet helemaal van overtuigd dat empathie met minderbedeelden ook werkt als restaurantconcept. Ze komt elke twee weken eten, met haar man, die al vijftig jaar Patrofan is en via zijn werk bij een van Patro’s sponsors kaarten krijgt voor de wedstrijd. “Vroeger was het hier heel klassiek, met een driegangenmenu. Witte tafelkleden, wijnglas, waterglas. En het was, volgens mij, ook goedkoper.” zegt ze. Al snel na de invoering van het all-inclusive buffet verloederden de strikte omgangsvormen. “In het begin opende Salar nog het buffet, daarna mochten de sponsoren opscheppen en dan het gewone volk. Vandaag was het echt aanvallen, met 250 man tegelijk.” Dat vindt zelfs Sarah onrechtvaardig. “Sponsors nemen toch al snel 50.000 euro mee, bovenop de 60 euro die het kost om hier te eten.”

Een sigaretje roken tijdens de rust.

Het is zo gezellig met Sarah en Gerty dat ik de eerste goal mis. De dertig seconden Eurohouse die door het uitzinnige stadion gepompt worden om dat te vieren maak ik gelukkig wel mee. Ik ga snel weer in het businessvak zitten. Trainer Stijn Stijnen is inmiddels van het veld gestuurd omdat hij aan de lijn zijn beruchte temperament niet in bedwang kon houden. Briesend en grommend ijsbeert hij heen en weer langs de tribune als een gekooide leeuw. Als de bal de verkeerde kant op gaat, of als een Thes-speler een schwalbe maakt, komt zijn sluimerende woede naar buiten en brult hij. Zo bewaakt Stijn vanaf de tribune de broze voorsprong van zijn club en de sfeer onder de toeschouwers.

Als het officiële fluitsignaal gaat, zijn de Patro-fans al een paar minuten lang op hun vingers aan het fluiten om een eind aan de wedstrijd te maken. Ze hebben gewonnen! Het is 1-0 gebleven. Salar springt op uit zijn stoel, omhelst Stijnen en rent het veld op. In de verte feliciteert hij de spelers, en hangt dan opeens in een hek bij de tribune. Met grote halen van zijn armen hijst hij zichzelf helemaal op tot de bovenkant en zwaait, staand op het hek, met een Patrosjaal boven zijn hoofd. De fanatics juichen voor hun president, die zijn armen spreidt alsof hij Jezus is.

Salar Azimi omhelst Stijn Stijnen.

David en een andere Patro Fanatic zijn blij.

Dan klimt hij naar beneden en loopt naar het uitvak om daar een stuk minder verheven gebaren te maken. De Thes-supporters, die al teleurgesteld hun banieren aan het oprollen waren, rennen woest naar het hek. Na de vorige derby, die in Patro met 2-1 verloor, raakte Salar hoogstpersoonlijk betrokken in wat duw- en trekwerk omdat zijn trainer zou zijn aangevallen. Nu is zijn wraak zoet, de tegenstanders kunnen niets doen dan schelden. De steward die naast me staat, is bang dat Salars gebaren een bittere nasmaak gaan geven aan de overwinning. “Ik hoop dat niet te veel mensen gezien hebben wat hij daar deed,” zegt hij bezorgd, turend over het veld. “Dan krijgen we straks weer een boete.”

Salar Azimi bedankt de Patro-supporters.

Als de triomferend president terug is in Saint Tropez drijft hij ook het barhoofd tot wanhoop. Samen met een kok (veel tattoos, een snor een theedoek over de schouder) begint hij de champagnevoorraad te plunderen om die rond te spuiten in de kleedkamer. “Niet de gekoelde!” smeekt de manager van de horeca, en ze drukt de kok een doos lauwe bubbelwijn in zijn handen. Zuchtend moet ze toekijken hoe alles – zowel gekoeld als ongekoeld – wordt meegenomen om over de kleedkamervloer te worden gesproeid.

Beneden lijken de halfnaakte voetballers een beetje te schrikken op het moment dat er een klein elftal aan schreeuwende mensen komt binnenstormen, aangevoerd door de President, zijn rechterhand en zijn vriend uit Khoy. Gelukkig weet Salar wat er moet gebeuren. “Iedereen een fles champagne pakken!” commandeert hij. “3, 2, 1…” Sommige voetballers doen grinnikend wat hij zegt, anderen springen snel onder de douche of verbergen zich een beetje tussen de kapstokken. Een woest bubbelballet breekt los. “Kampioenen!” schreeuwt Salar terwijl hij met twee volle, sproeiende flessen op een tafeltje ramt. “Kampioenen!” Voldaan stuitert hij de flessen via het tafeltje in een hoek. Deze overwinning neemt niemand hem af.

Salar Azimi en zijn spelers richten een champagneballet aan.

In het restaurant valt Salar David Jeunen, de erevoorzitter van de Fanatics, in de armen, om daarna een fotosessie te doen met de lokale jeugd. Als hij me ziet, glimlacht David breed en geeft me een kus op mijn wang. Ik kan me moeilijk voorstellen dat deze tevreden man zo dadelijk ergens op een parkeerplaats iemands oor eraf gaat bijten. “Ga je nog vechten?” vraag ik. “Nee, gewoon lekker slapen.” Ik moet nog urenlang in de auto zitten voordat ik naar bed kan, maar ben weer enigszins hoopvol gestemd over de toekomst, waarin de kloof tussen rijk en arm waarschijnlijk alleen maar zal groeien. Salar Azimi is een erg goed argument vóór oligarchie. Het tegenargument is dat niet elke rijkaard Salar Azimi is.