Blonde Dolly.
Blonde Dolly en haar bouvier. Foto: Spaarnestad Photo.
Identiteit

Blonde Dolly was een rijke sekswerker die op mysterieuze wijze werd vermoord

Ze combineerde het leven van een belezen society-dame met het bestaan van een goedverdienende sekswerker, en rekende statige politici tot haar vaste klanten.
30 maart 2020, 1:53pm

Te lui om te lezen? Beluister dan hieronder de ingesproken versie.

Op maandag 2 november 1959 braken twee politieagenten de voordeur open van een klein pand aan de Nieuwe Haven in Den Haag. Een grote zwarte hond glipte onmiddellijk langs hun benen naar buiten en liet trillend zijn plas lopen in de goot – een onheilspellend voorteken. Boven, in een doodstille slaapkamer, vonden de agenten het lichaam van de 32-jarige sekswerker Blonde Dolly, tussen de omgewoelde lakens van haar bed. Ze was drie dagen eerder gewurgd.

Het werd een zaak die in heel Nederland belangstelling kreeg: een waargebeurd moordmysterie dat zich voor de ogen van gretige krantenlezers ontvouwde. Veel mensen werden ondervraagd, maar het lukte de politie niet om de dader te vinden, waardoor er volop ruimte was voor sensationele speculatie. Blonde Dolly zou vermoord zijn door een gefrustreerde stalker, of door de woedende vrouw van een van haar klanten. Misschien was ze zelfs omgebracht in opdracht van een minister, die haar tijdens een heimelijke ontmoeting in zijn dienstauto per ongeluk een staatsgeheim had toevertrouwd.

Vooral De Telegraaf, die de primeur van de moord bracht, volgde jarenlang nauwgezet alle ontwikkelingen in de zaak. Om de zoveel tijd kwam er een nieuw detail naar buiten, dat weer een nieuwe mogelijke plotlijn met zich meebracht. De moordenaar had een blik vol geld en een nylonkous gevuld met gouden tientjes in Dolly’s woning laten liggen, wat zou betekenen dat ze niet om haar geld was vermoord. De politie trof een aantal poëziebundels aan van negentiende eeuwse dichters als Guido Gezelle en De Genestet, wat volgens De Telegraaf tot de “verbluffende ontdekking” leidde dat Dolly “ook een cultureel leven had”. Ook opvallend: Dolly’s hond, de grote bouvier Nick, had nergens in huis gepoept of geplast, ook al had hij er zeker drie dagen lang opgesloten gezeten – misschien was de moordenaar nog even teruggekomen om ‘m uit te laten.

Het meest hardnekkige, geheimzinnige gerucht ging over Dolly’s blauwe agenda, waarin ze de namen van alle onberispelijke kantoorklerken en nette ambtenaren die haar weleens bezochten had genoteerd. Deze agenda zou tijdens het politieonderzoek zijn verdwenen, weggemoffeld om de reputatie van Dolly’s hooggeplaatste klanten te beschermen.

In werkelijkheid was Blonde Dolly helemaal niet blond. Sebilla Niemans, haar echte naam, had donkerbruine haren, die ze in een keurig permanentje droeg. Haar jeugd was net een tienerroman. Ze werd in 1927 in Amsterdam-West geboren, maar omdat haar moeder ernstig ziek was en niet voor haar kon zorgen, bracht ze het grootste deel van haar jeugd door in een statig kindertehuis in Zandvoort, vlakbij het strand. Tijdens de oorlog werd het gebouw gevorderd door de Duitsers, en keerde ze op haar veertiende terug naar het huis haar vader in Amsterdam, die ondertussen getrouwd was met een andere vrouw.

Het schijnt dat Niemans het niet goed kon vinden met haar stiefmoeder – ze liep in elk geval al snel van huis weg. Op zoek naar een woning en een manier om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, kwam ze een waarzegster tegen, die zei haar te kunnen helpen. Samen met een Italiaanse zeeman, die tevens een pooier was, bood de waarzegster haar een kamer aan in een bordeel in de Kerkstraat en legde ze Niemans uit hoe je op onopvallende wijze naar langlopende mannen kon lonken, en zo met sekswerk geld kon verdienen.

Niemans bleef niet lang in de Kerkstraat: omdat ze minderjarig was, werd ze door de politie terug naar haar vader gestuurd. Ze deed een opleiding tot kostuumnaaier, en verdiende een tijdje de kost met het maken en herstellen van jurken. Volgens journalist Casper Postmaa, die uitgebreid onderzoek deed naar Niemans, werd ze belazerd door een textielhandelaar, die er met al haar geld vandoor ging. Dat zou de reden kunnen zijn dat ze 1948 haar loopbaan als kleermaker opgaf en naar Den Haag verhuisde.

In de jaren na de oorlog was er in Den Haag veel ruimte voor prostitutie. Diverse buurten rond het stadscentrum verkeerden in slechte staat, en het was lange tijd onduidelijk wat er met de verpauperde panden zou gebeuren. Pooiers maakten daar handig gebruik van: ze kochten goedkope woonruimten op, en verhuurden die vervolgens aan sekswerkers, die destijds woeste bijnamen droegen als ‘de Gaspijp’, ‘Riet de Leugenaar’ en ‘Slapende Aal’. De rosse buurtjes die er zo ontstonden, zagen er anders uit dan we nu gewend zijn. In 1952 werd het verboden om vanuit een huis naar mensen op straat te wenken, door bijvoorbeeld op een raam te tikken. Sekswerkers moesten hun diensten dus zo subtiel mogelijk aanprijzen. Ook mochten ze nauwelijks blote huid laten zien: wie een te laag uitgesneden jurkje droeg, riskeerde een boete van de zedenpolitie.

Niemans huurde een kamer in de Doubletstraat, en ging onder de naam ‘Donkere Molly’ werken als zelfstandig prostituee – een pooier had ze niet. Later zette ze wel eens een blonde pruik op als ze aan het werk ging, en veranderde haar bijnaam in 'Blonde Dolly'. Het ging haar goed af: binnen een paar jaar had ze genoeg geld om aan de Nieuwe Haven haar eigen pandje kopen. Toen ze 23 jaar was, trouwde ze met Botto van den Bergh, een man die viool speelde in het Haagse Residentie Orkest en twee keer zo oud was als zij. Zo begon wat De Telegraaf later haar “dubbelleven tussen zelfkant en society” zou noemen. Van den Bergh nam haar mee op tournee door Europa, ze bezocht concerten en culturele avonden en deed contacten op in de modewereld. Ze werkte een tijdje als mannequin, en onder de naam Inge Hoogendijk speelde ze piano en droeg ze gedichten voor in bejaardentehuizen.

Niemans’ huwelijk met Van den Bergh was geen lang leven beschoren: na een jaar gingen ze uit elkaar, en in 1957 waren ze officieel gescheiden. Wel bleef ze nog een tijd lang alimentatie naar hem overmaken, want ze had veel meer geld dan hij. Ook haar moeder, die in een ziekenhuis werd verpleegd, ondersteunde ze financieel. Ze verdiende niet alleen geld met haar sekswerk, ze bezat ook panden in de Haagse wijk Bezuidenhout die ze verhuurde. Ze kocht een grote bouvier, droeg modieuze mantelpakjes, en leek zo met grote flair het leven van een belezen society-dame met het bestaan van een goedverdienende sekswerker te combineren. Het gerucht ging dat ze statige politici als Pieter Oud (die burgemeester was van Rotterdam) en Joseph Luns (minister van Buitenlandse Zaken) tot haar vaste klanten rekende.

Op nieuwjaarsdag 1959 werd de 47-jarige sekswerker Marie van Es, ook wel bekend als Blonde Marietje, gewurgd aangetroffen in haar woning aan de Nieuwe Haven, vlakbij het pand van Niemans. De moordenaar was een 26-jarige schilder, die er met onder andere haar gouden kettingen, haar massage-apparaat en haar hoogtezon vandoor was gegaan. Om te voorkomen dat haar hetzelfde zou gebeuren, liet Niemans voor haar raam een ijzeren rolluik installeren. Ook nam ze een beveiliger in dienst, een man genaamd Gerard.

Volgens journalist Casper Postmaa was het ironisch genoeg juist deze Gerard die Niemans vermoord heeft, in de nacht van 30 oktober. Hij zou verliefd op haar zijn geworden, en haar hebben gewurgd uit frustratie en jaloezie. Destijds is hij weliswaar als verdachte verhoord door de politie, maar hij is nooit aangeklaagd. De Haagse cabaretier Sjaak Bral maakte in 2016 een voorstelling over Blonde Dolly, en zocht Gerard op. “Hij bleef vaag; hij zei nooit dat hij de dader was. Maar hij heeft ook nooit gezegd dat hij de dader níét was,” vertelde Bral daarover tegen NRC.

De moord op Blonde Dolly houdt tot op de dag van vandaag mensen bezig. Behalve de theatervoorstelling van Sjaak Bral, verscheen er in 1987 een (sterk gefictionaliseerde) film over haar leven, en zowel journalist Casper Postmaa als thriller-auteur Tomas Ross schreven een boek over de zaak.

Al die aandacht is niet vreemd: niet alleen is het verhaal van Blonde Dolly mysterieus genoeg om allerlei wilde theorieën op los te laten (zo heeft Ross heeft de hypothese ontwikkeld dat Niemans tijdens de oorlog NSB’ers ontving in een bordeel aan de Kerkstraat, en dat ze later haar fortuin verdiende door deze mannen af te persen), een mooie jonge vrouw die op de meest intieme en weerloze plek in haar huis om het leven wordt gebracht, prikkelt op een bijna perverse manier de fantasie. De manier waarop zowel Postmaa als Ross de nadruk leggen op het seksuele leven van Niemans, is opvallend. Volgens Postmaa “leefde ze gevaarlijk”, door er meerdere minnaars op na te houden. In een interview met Omroep West speculeert Ross bijna verlekkerd over het aantal klanten dat ze ontving: “Vijfentwintig klanten, vijf dagen per week”. Hij gebruikt ook steevast verkleinwoordjes als hij over haar praat: ze was een ‘hoertje’, een ‘naaistertje’, en droeg op het moment dat ze gedood werd een ‘ragfijn hemdje’. Ze doen daarmee in feite hetzelfde als commissaris Van Harskamp, de politieman die de zaak probeerde op te lossen: in de krant zei hij dat Niemans "vaste vrienden aantrok" en "crazy op geld" was. De suggestie die hier doorschemert is dat Niemans door haar manier van leven schuldig was aan haar eigen dood.

Sebilla Niemans is vooral bekend is geworden omdat ze is vermoord. Dat is jammer, want haar leven als steenrijke sekswerker was eigenlijk veel interessanter dan haar dood.

Op 25 november 1959 plaatste De Telegraaf een ingezonden brief van ene J. Wolfse uit Amsterdam, waarin dit aardig wordt samengevat. “Het verdient misschien vermelding dat Blonde Dolly haar gehele vermogen heeft nagelaten aan ziekenhuizen in Santpoort en aan het Kankerinstituut. Hieruit blijkt, dat Blonde Dolly niet zo slecht was als men wellicht zou denken.”

Voor dit artikel werd gebruik gemaakt van krantenarchief Delpher, het Digitaal Vrouwenlexicon en het werk van Sietse Altink op sekswerkerfgoed.nl.