Nostalgische foto’s van automobilisten in L.A. in de jaren zestig
Photos: Mike Mandel, courtesy of Robert Mann Gallery and Stanley Barker
Fotos

Nostalgische foto’s van automobilisten in L.A. in de jaren zestig

We spraken Mike Mandel over zijn nieuwe fotoboek ‘People In Cars’.
12 mei 2017, 4:29pm

Mike Mandel heeft een paar van de fascinerendste fotoseries van de twintigste eeuw op zijn naam staan. Samenwerkingsprojecten met Larry Sultan, zoals het boek Evidence, zijn van grote invloed geweest op de fotografie. Zijn portretten van grote Amerikaanse fotografen verkleed als honkballers uit 1974, die hij ook uitgaf als verzamelbare honkbalplaatjes, zijn waarschijnlijk het beroemdst. Het was een ode aan de groeiende invloed van fotografie in de kunstwereld van de jaren zeventig.

Zijn nieuwe boek, People In Cars, toont een van zijn vroegste werken: portretten die hij schoot vanuit een auto in L.A., toen hij in de twintig was. Een paar weken terug spraken we Mike Mandel in de drukkerij waar zijn boek op dat moment gedrukt werd.

VICE: Je maakte de foto's in dit boek toen je nog studeerde. Wie waren je idolen?
Mike Mandel: Toen ik net fotografeerde leerde ik het werk van Edward Weston, Walker Evans en Robert Frank kennen. Evans en Frank sloten aan bij mijn interesse, namelijk de sociale dynamiek van cultuur. Ook voelde ik iets voor Jacques-Henri Lartigue, die op zijn zevende al foto's maakte. Hij kwam uit een rijke familie. Zijn broers en neven reden in raceauto's en bouwden zelf vliegtuigen, die neerstortten. Lartigue maakte foto's. Hij was jong en klein, wat een ander perspectief bood dan dat van een volwassen fotograaf. Het zijn lollige foto's die toen aansloten bij mijn zoektocht naar humor in fotografie.

Hoe kwam People In Cars tot stand?
Dat weet ik niet meer! Ik weet wel dat mensen in L.A. altijd in auto's zitten. In die tijd keek ik veel naar Franks foto's van auto's in The Americans. Evans' foto's zijn vaak heel gewoontjes, maar er zit een subtiel verhaal in over hoe de wereld verandert door technologie. Ik was nog een kind toen ik dat zag, nog niet eens twintig. Ik werkte zes maanden aan die fotoserie. Op een dag bezocht Robert Frank onze school, en toen hij mijn foto's zag, zei hij: ik maakte vroeger ook zulke foto's, ik weet hoe moeilijk dat is.

Dat klinkt als een goeie schooldag.
Ik denk dat ik daarom besloot meer van zulke foto's te maken. Van 20 fotorolletjes werden het er 75.

Een van je eerste werken met Sultan was het project met namaakbillboards , wat speelde met commerciële beeldtaal. Zat er ook iets van dat in deze serie? Is het een commentaar op het commerciële beeld van auto's in Amerika?
Het uitgangspunt was het idee dat we in L.A. in onze auto's woonden. In L.A. kun je alleen met de auto je vrienden bezoeken. Iedereen heeft een auto en de stad is zo opgezet dat je bijna voor elk ritje de snelweg op moet. Omdat ik in L.A. ben opgegroeid weet ik nooit waar ik precies ben. Ik heb geen richtingsgevoel, maar zo lang ik weet welke oprit en afslag ik moet nemen, kan ik ergens komen.

Het ging me dus om het feit dat we veel in auto's zitten. Af en toe staan we stil voor een stoplicht, en dat gaf je in die tijd de kans om een korte interactie met iemand te hebben. In die tijd was het nog niet gebruikelijk dat mensen foto's van je namen. We droegen niet allemaal camera's in onze broekzakken, zoals vandaag. Mensen hadden niet het gevoel dat je ze met een foto in hun privé aantastte.

Dus je werd nooit in je smoel gestompt omdat je een foto nam?
Nee. Ik kreeg de nodige middelvingers, maar nooit klappen. Meestal was ik gewoon aan het viben en konden mensen in hun auto's daar om lachen. Ik kreeg veel energie. Vaak wist ik niet wat voor foto's ik gemaakt had tot ik ze ontwikkelde. Daar had ik schik in.

Hoe kreeg dit project z'n uiteindelijke vorm?
Toen het klaar was heb ik de foto's, formaat 13x18 cm, verzameld tot een grote poster. Alle beelden leken enigszins op elkaar: het autoraam als kader en de mensen daarbinnen. Dat werkte. Toen ik de foto's laatst opnieuw ontwikkelde voor het _Good 70s_-project, hebben we er weer een poster van gemaakt.

En nu ook een boek. Waarom?
Gregory Barker bracht me op dat idee. Ik heb alle foto's opnieuw bekeken, dat was heel indrukwekkend. Sommige foto's die ik toen niet vet vond, vind ik nu juist heel mooi. Ik ben nu 66 en meer ervaren. Het geeft voldoening om herinnerd te worden aan vroeger door het werk wat je toen maakte.

Wat vind je verder tof aan fotoboeken?
Edward Ruscha maakte in die tijd fotoboekjes. Die hebben mij deels gevormd. Als die uitkwamen was er een feestje met mensen uit de fotowereld. Het waren geinige boekjes, bijvoorbeeld Colored People, vol foto's van cactussen. Of Royal Road Test, met foto's van troep langs de weg, zoals een tabtoets en een inktlint. Pas na een tijdje heb je door dat hij met 120 km/u een typemachine uit een auto heeft geflikkerd, en dat heeft gefotografeerd alsof het voor een politieonderzoek was.

Die boekjes van Ruscha inspireerden me. Ik dacht: zo kun je ook je foto's verspreiden, dan heb je geen galerie nodig. In 1971 verscheen mijn eerste boek, Myself. Voor zo'n achthonderd dollar liet ik duizend exemplaren drukken.

Denk je dat mensen de foto's in People In Cars nu anders bekijken dan in de jaren zeventig?
We leven in andere tijden. Auto's waren toen nog sleeën, van zwaar metaal en pompeus. Vooral auto's uit de jaren vijftig. Het waren een soort vliegmachines. Nu rijden er ook grote bakken op de weg, maar die zijn vooral lelijk. We dachten vroeger niet na over gordels, het was een naïeve tijd. Mensen rookten ook nog volop. Ramen stonden open, want je had geen airco. Het zijn best nostalgische foto's in die zin.

People In Cars is uitgebracht door Stanley Barker en de expo in de Robert Mann Gallery in New York begint op 11 mei.