Stuff

Fiona Wood geeft mensen met derdegraads brandwonden een nieuwe huid

De Engelse arts bedacht een manier om huidcellen op ernstige brandwonden te spuiten, en heeft daarmee talloze levens gered.

door Matilda Whitworth
17 februari 2016, 3:55pm

Het is moeilijk te ontkennen dat er de laatste tijd een hoop gelazer in de wereld is. Nou kun je als reactie daarop de hele dag in de foetushouding gaan liggen kniezen in je bed, maar het leek ons een beter idee om een serie te maken over mensen die met hun geniale ideeën de wereld een stukje beter maken. Samen met VICE-kantoren van over de hele wereld selecteerden we een aantal van dit soort mensen, over wie we deze week artikelen zullen publiceren.

Het derde deel van deze serie gaat over de Engelse arts Fiona Wood, die een revolutionaire behandeling voor brandwonden bedacht.

Fiona Wood. Foto door de auteur

In de medische wetenschap worden brandwonden vaak gezien als iets dat grotendeels onomkeerbaar is. Nog niet zo lang geleden overleden patiënten met ernstige brandwonden vaak aan complicaties, en bleven degenen die het wel overleefden achter met vreselijke littekens. Maar dat veranderde in de vroege jaren negentig, toen Fiona Wood een experimentele techniek bedacht die de levens van mensen met derdegraads brandwonden kon redden. Ze noemde het 'opspuithuid'.

Wanneer ik haar kantoortje binnenstap in het Fiona Stanley Hospital in Australië, begroet Wood me met een droge Britse grap. Wood werd geboren in een mijnstadje in Yorkshire in Engeland in 1958, en haar ouders (haar vader was een mijnwerker en haar moeder gaf les op de basisschool) hamerden al vanaf jonge leeftijd op het belang van een goede opleiding. Ze wilde in eerste instantie een Olympische sprinter worden, maar toen dat niks werd, viel haar keuze op geneeskunde.

Fiona kwam voor het eerst in contact met brandwondpatiënten toen ze coschappen liep bij het Queen Victoria Hospital in het zuidoosten van Engeland. "Ik zag al die littekens en de pijn die het mensen deed en dacht: zou ik daar iets aan kunnen doen? Zou ik de levensloop van die persoon kunnen veranderen?"

De eerste stap in haar transformatie van groentje naar pionier was niet makkelijk, en de katalysator was een geval dat er bijna voor zorgde dat ze het opgaf. In 1992 had ze een leraar als patiënt die bij een explosie ernstige brandwonden had opgelopen. "Een 29-jarige man die voor negentig procent verbrand was," zegt ze. "Ik dacht dat ik het goed had gedaan, maar toen kreeg hij polyneuropathie [zenuwbeschadiging] en werd zijn toestand kritiek. Hij was verlamd en moest negen maanden lang revalideren. Ik dacht: ik kan dit niet. Ik ben hier niet sterk genoeg voor."

Na een paar dagen veranderde ze van gedachten en besloot ze de ervaring als een leermoment te zien. In die tijd waren de behandelmethodes voor mensen met ernstige brandwonden beperkt tot transplantatie of kweekhuid. Bij transplantatie werd een stuk onaangetaste huid van de patiënt verwijderd en op de plek van de brandwonden geplaatst. Het is een snelle en betrouwbare techniek, maar er is veel huid voor nodig en het laat grote littekens achter. Het kweken van kunstmatige huid, van een donor of van cellen van de patiënt zelf, leverde minder littekens op maar duurde wel twee weken. In die tijd kan de patiënt een bacteriële infectie oplopen door de open brandwonden.

Daarom begonnen Fiona en haar collega Marie Stoner in 1993 te werken aan een idee dat uiteindelijk de opspuithuid zou worden. In plaats van de huid te kweken in een celcultuurfles, besloten ze de huidcellen rechtstreeks op de patiënt te groeien, waardoor de genezingstijd van een paar weken naar een paar dagen gaat. Maar na een paar mislukte pogingen om handschoenen met huidcellen te voeren, of cellen aan te brengen onder een zelfklevend verband, zei een gefrustreerde onderzoeker: "We zouden dit spul er gewoon op moeten spuiten." Het was iets dat de arts tussen neus en lippen door zei, maar Wood en Stoner wisten gelijk dat dit de weg voorwaarts was.

Fiona en haar zes kinderen. Foto met dank aan Fiona Wood

Ze noemden hun product ReCell, en het werkte door een kleine hoeveelheid gezonde huid van een patiënt te nemen, de structuren die de cellen samenhouden op te lossen met een enzym, en deze oplossing op het aangetaste gebied te spuiten. Het werd al snel een vast onderdeel van Woods behandelmethode, maar het was pas na een terroristische aanslag in 2002 dat mensen buiten de medische wereld aandacht begonnen te besteden aan haar uitvinding.

Op 12 oktober liet de moslimextremistische groepering Jemaah Islamiyah twee bommen ontploffen in Kuta, een toeristisch gebied op Bali. Daarbij vielen 202 doden en talloze gewonden. 28 van de meest zwaargewonde slachtoffers, sommigen met brandwonden die 90 procent van hun lichaam bedekten, werden overgevlogen naar het Royal Perth Hospital voor onmiddellijke behandeling. Aangezien Fiona het hoofd van het brandwondencentrum in het ziekenhuis was, moest zij de vier operatiekamers, negentien chirurgen en honderdveertig leden van het medisch personeel aansturen. Daarnaast gebruikte ze haar eigen vaardigheden om het leven van 25 mensen te redden.

Toen ik haar vroeg naar het incident, verraste haar antwoord me: "Ik voel dat je me deze vraag stelt, omdat je denkt dat dit incident anders was dan het normaal is. Ja, het ziekenhuis zat vol. Ja, het was intens, en er waren patiënten die dringend hulp nodig hadden, maar er was ook een element van 'dit is wat we doen' en 'gewone gang van zaken'."

Op dat moment had de huidspray nog niet het volledige traject van klinische proeven doorlopen, en zat het nog in de 'experimentele' fase. Desondanks besloot Fiona om ReCell te gebruiken op de slachtoffers die de ernstigste brandwonden hadden. "Je moet pragmatisch zijn," zegt ze. "Het heeft geen zin om te zeggen van: 'Ik ga dit nu niet gebruiken, want ik wil geen gebruik maken van een rampzalige gebeurtenis om mijn eigen uitvinding te pushen.' Ik deed wat me het beste leek en besloot om op dat moment zoveel mogelijk te leren van de ervaring."

Het ziekenhuis in Perth was het enige ter wereld dat de behandeling gebruikte, en Fiona werd later geprezen voor de verminderde littekenvorming die haar behandeling opleverde. Drie van de slachtoffers overleden, wat tragisch was, maar ook indrukwekkend, gezien de omvang van het bloedbad. Toch ontstond er na de ramp op Bali een discussie in de medische wereld over het gebruik van een experimentele behandeling en het gebrek aan klinische onderzoeken, die de werkzaamheid van ReCell hadden moeten bewijzen. Peter Maitz, medisch directeur van het brandwondencentrum in het Concord Hospital, vertelde later aan The Age: "Patiënten die een terroristische aanslag hebben overleefd, zoals in Bali, mogen niet worden onderworpen aan een experimentele procedure."

Wanneer ik dit tegen Fiona zeg, vertelt ze snel hoeveel testen de behandeling in 2002 al doorlopen had, en dat de techniek "een zeer laag risico" met zich meebracht. Het middel was al op dieren getest, er werd al gewerkt met een controlegroep van huidtransplantatiedonors en het werd vergeleken met de behandelingen van willekeurige brandwonden. Bij alle testen werden positieve effecten aangetoond. Maar dit was niet de enige bron van controverse.

Fiona en Marie besloten in hetzelfde jaar als de bomaanslagen hun onderzoek te commercialiseren. Ze vormden het bedrijf Clinical Cell Culture [inmiddels Avita Medical], en werden er al snel van beschuldigd dat ze woekerwinsten verdienden aan gruwelijke verwondingen. Avita Medical is een non-profitorganisatie in West-Australië, maar wereldwijd verschilt de prijs van ReCell sterk. Ik vraag Fiona naar het ethische aspect van het maken van winst op een product, dat – als het gratis was geweest – duizenden mensen meer kan helpen. Ze erkent dat het een dilemma is, maar betoogt dat het moeilijk is om een verschil te maken zonder geld. Ze heeft gelijk, maar het is ook waar dat ze miljoenen heeft verdiend aan brandslachtoffers.

Haar filosofie lijkt zich alleen op het positieve te richten, niet op het negatieve. Ze moet lang nadenken als ik haar vraag of er ook vervelende kanten aan haar werk zitten. "Het irriteert me als mensen alleen maar kritiek hebben, zonder een oplossing voor het probleem aan te dragen," zegt ze uiteindelijk. Je niks aantrekken van andere mensen, zoals haar vader vroeger zei, zou ze als advies aan haar jongere zelf meegegeven. "Ik denk dat ik veel energie heb verspild door me zorgen te maken over wat mensen zeiden. Naarmate je volwassener wordt, heeft kritiek minder impact. Je maakt je er niet echt druk meer om."

"Denk ik dat ik een genie ben? Nee."

Die houding beïnvloedt ook haar huidige onderzoek. Ze kijkt nu naar manieren waarop positiviteit herstel kan bevorderen, legt ze uit. Ze onderzoekt de manier waarop hersenen reageren op letsel, om bepaalde mechanismen te stimuleren of af te zwakken. Haar onderzoek heeft zelfs een kekke titel: "Can we think ourselves whole?"

Hoewel ze vurig gelooft in het belang van wetenschappelijk denken en bewijs, heeft Woods ook erg veel vertrouwen in de kracht van positief denken. Haar positieve houding verklaart misschien waarom ze zoveel energie heeft – ze heeft zes kinderen en slaagt er nog steeds in om regelmatig te sporten. Ik vraag haar of ze zichzelf als genie beschouwt.

"Denk ik dat ik een genie ben? Nee. Denk ik dat ik in een omgeving leef waarin we de mogelijkheid hebben om iets geniaals te bedenken? Ja. Denk ik dat dat ook vaak genoeg gebeurt? Nee. Dat komt denk ik deels door de manier waarop we naar de wereld kijken. We moeten geloven dat we in staat zijn om iets geniaals te doen. Om innovatie te stimuleren. Om levens te veranderen."