FYI.

This story is over 5 years old.

Vice Blog

Verdrietig nieuws

Begin deze week hoorden we dat Maarten Naafs afgelopen weekend op 29-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk in Utrecht is omgekomen. Maarten was nogal een goede schrijver - en kok, bovendien. Hij volgde de schrijfopleiding aan de Rietveld Academie en in 2006 won hij de schrijfwedstrijd Write Now!. In ons Fiction Issue van 2010 stond een verhaal van zijn hand, getiteld Niets Dan Goeds. Hieronder kun je zijn verhaal nog een keer lezen. We willen zijn familie en vrienden heel erg veel sterkte wensen.

Advertentie

NIETS DAN GOEDS

Opeens stond er op de zesde verdieping een bank. Een groene bank. Met kleine houten pootjes.

“Nou,” zei Ernst.

Hij stond ervoor, op zijn geruite pantoffels, voeten iets uit elkaar. Zijn linkerhand rustte in zijn zij, de rechter op het koperen handvat van zijn wandelstok.

“Nou, ik vind het niks.”

De anderen knikten.

Ernst schudde zijn hoofd. Het rode touwtje van zijn bril viel in lussen op zijn schouders.

“Weet Akkersloot hier al van?”, vroeg hij aan de oudjes die zich om de bank hadden verzameld. “Wat een onding.”

“Een onding, dat is het,” hoorde hij iemand bijvallen.

“Nou,” zei Ernst.

Hij leunde voorover en prikte met zijn vinger in de stof van de armleuning, alsof het een slapende zwerver was die misschien wel dood kon zijn. De stof was ruw onder zijn vinger. Zuchtend kwam hij overeind.

“Van wie is dit?”, vroeg Dijkstra, die er net bij kwam staan. Hij keek hoopvol naar Ernst, maar die had geen antwoord.

“Dat wil ik ook wel eens weten”, riep hij maar.

Het bleef stil.

Iedereen keek naar de bank. Sommigen krabden op hun achterhoofd of streken langs een keurig grijs baardje. Achterin dreigde Hulskamp weg te dommelen van zoveel groen tegelijk.

Ernst liet zijn blik omhoogglijden naar de toppen van de kastanjes die aan de rand van de parkeerplaats stonden. Door de zo vroeg al bladerloze takken zag hij de achterliggende velden, in ochtendnevel gehuld. Het zou een dag vol motregen worden.

Advertentie

Hij is vast van Poortvliet, dacht hij, maar hij herinnerde zich net op tijd dat die al drie maanden dood was, en was blij dat hij het niet hardop had gezegd. Niets dan goeds.

En zo stonden ze daar.

’s Nachts kon hij niet slapen. Hij had kruidenthee gedronken en toen dat niet hielp een borrel. Hij lag op zijn rug onder zijn dekbed en de tweepersoons sprei die zijn vrouw ooit had gemaakt. De gloed van het licht op de gang kwam onder de deur door.

Hij stond op en trok zijn kamerjas aan.

In de keuken dronk hij nog een borrel en voelde hij hoe de drank door zijn keel naar zijn maag zakte. Niet veel later stond hij buiten op de gemeenschappelijke gang.

Hij keek uit over de parkeerplaats, de regenplassen, het oranje licht van de lantaarns. Het was stil in het gebouw. Verder dan de parkeerplaats kon hij niet zien.

Hij wist niet goed wat hij verwacht had, het deed er verder ook niet toe. Boven hem stond de bank. Hij voelde hoe het ding boven zijn hoofd hing. Een piano aan een touw in een stomme film.

De volgende ochtend schuifelde hij in zijn kamerjas door de huiskamer, en drukte hij putten in het tapijt met zijn wandelstok.

Er werd aangeklopt. Hij deed de deur open en daar stond zijn zoon. Zijn kleinzoon had zich achter hem verstopt, de onderkant van zijn vaders jas in zijn hand geklemd.

“Pa,” zei zijn zoon. “Het is weer zondag.”

“Waar is de rest?”, vroeg Ernst terwijl zijn hersens deze informatie nog aan het verwerken waren.

Advertentie

“Welke rest, pa?”

Zijn zoon pakte het kind bij zijn pols en stapte langs hem naar binnen. Ernst keek nog even de lege gang in voor hij de deur dicht trok.

“Je hebt een snor,” zei hij. Hij leunde op zijn wandelstok en keek zijn zoon aan alsof hij net een wiskundige theorie had bewezen. Toen werd hij zich bewust van het feit dat hij nog in zijn pyjama rondliep en vertrok hij richting zijn slaapkamer.

“Nou,” mompelde hij. “Ik ga wat aantrekken. Ik had jullie niet verwacht.”

“Ik kom elke zondag,” zei zijn zoon, hard genoeg zodat hij het in de slaapkamer kon horen. “En ik heb al jaren een snor, ma zei altijd dat ze het mooi vond.”

“Ja ja, je moeder. Ik snap het niet. Is dat mode?”

Hij trok een overhemd aan en strikte zoals iedere dag een das. Voor de spiegel kamde hij zijn haren.

Toen hij terugkwam was zijn zoon koffie aan het zetten. Zijn kleinkind zat in zijn stoel en keek naar hem op. Zijn voeten bungelden hoog boven de grond.

“Je hebt de ogen van je oma,” zei Ernst tegen het mannetje. “Alles goed op school?”

Met zijn drieën wachtten ze op de lift. Ernst had zijn wollen jas aan en een sjaal die jeukte op zijn huid. “Ik wil helemaal niet wandelen,” zei hij zonder overtuiging.

“Ik zal je eens wat laten zien,” bedacht hij toen ze in de lift stonden, en hij drukte op de knop voor de zesde verdieping. De deuren schoven dicht en de lift zette zich in beweging.

“Gaat het goed met je, pa?” vroeg zijn zoon.

Advertentie

“Hoe bedoel je gaat het goed? Natuurlijk gaat het goed.”

“Goed zo.”

Ernst keek voor zich uit, zijn knokige hand om de wandelstok geklemd.

“Natuurlijk gaat het goed,” herhaalde hij zichzelf. “Ik zal je eens vertellen wanneer het niet goed gaat. Dat zal ik je eens vertellen,” zei hij terwijl hij bij zichzelf dacht, waar gaat dit nu weer naartoe? Toen schoot hem iets te binnen.

“Een paar jaar geleden kwamen jullie niet voor de kerst omdat jullie gingen skiën of zoiets, dat weet ik niet meer. In ieder geval zei ik tegen je moeder dat een kerstdiner niet nodig was, je weet hoe ze zich daar altijd op uitsloofde. We gaan wel naar de Chinees, zei ik, en daarmee was het klaar.”

De lift kwam aan op de zesde en de deuren gingen open. Ernst liep voor zijn zoon en kleinzoon uit de hal in.

“Nou, dat was op eerste kerstdag, en aan het tafeltje naast ons zat een man alleen, op eten te wachten. Donkere man, buitenlander wel. Volgens mij werkte hij in de bouw of zoiets, zo zag hij eruit. Een broek met van die stukken op de knie, voor stratenmakers worden die gemaakt.”

Ze liepen door de hal, langs de ramen met zicht op de natte parkeerplaats die schitterde in de zon. Met zijn vrije hand friemelde Ernst aan het touwtje van zijn bril. Aan het eind van de hal kwam de groene bank in zicht.

“Wat ging je laten zien?”

“Wacht maar,” zei Ernst. “En in ieder geval, die man zat daar dus en toen kwam de eigenaar aan zijn tafeltje. Die oude Chinees, je bent er ook vaak zat geweest. Daar kreeg je altijd een lolly van, weet je dat nog? Hij probeerde zacht te praten, maar ik verstond hem duidelijk. Met mijn gehoor is niets mis. Hij zei tegen die man: kunt u misschien vooraf betalen. Dat zei hij.”

Advertentie

Ernst hield stil bij de bank en keek er nog eens naar. Zijn kleinzoon klauterde erop en begon op en neer te springen. De veren piepten en kraakten ervan. Zijn zoon pakte het mannetje bij de mouw van zijn jas en trok hem er af. Beduusd keek hij naar de twee volwassenen die voor hem stonden, ingepakt in hun winterjassen.

“Als je die blik van die man had kunnen zien. Ik zag hoe hij keek en ik zei wel godverdomme, dat weet ik nog, dat is precies wat ik zei, ik kon het ook niet helpen. Je moeder schrok ervan. Zit die man in zijn eentje kerst te vieren bij de chinees, moet hij eerst betalen. Ze dachten gewoon dat hij het geld niet had.”

Ernst keek zijn zoon aan over de rand van zijn bril en wees hem met het uiteinde van zijn stok de bank aan.

“Kun je het me nog moeilijker maken?”

Hij stak zijn hand in zijn jaszak en zijn vingers vonden het verfrommelde papiertje van een keelpastille.

“Kun je het me nog moeilijker maken, dat vroeg die blik. Ik zag het.”

“Heb je dit niet al eerder verteld?”

“Ach dat weet ik toch allemaal niet meer jongen, wat maakt dat nou uit?”, zei Ernst. “Maar het was triest, dat was het. Je moeder zei nog, laat hem dan bij ons aanschuiven, maar dat was niet nodig. Het was gewoon triest.”

Met zijn drieën stonden ze voor de bank, niet veel anders dan de oudjes de dag ervoor, en keken ernaar.

De jongen maakte zich los uit de hand van zijn vader en klom er weer op. Hij ging zitten met zijn voetjes vooruit. Zijn blote onderbenen staken uit de opgerolde pijpen van zijn broek, die door de ruwe stof op hun plaats werden gehouden terwijl het mannetje zich onderuit liet zakken.

Advertentie

“Ik heb daar nooit meer gegeten,” zei Ernst, die even was vergeten waarom ze op de zesde verdieping stonden. “Misschien had je moeder wel gelijk. We hadden hem best kunnen vragen om bij ons te zitten.”

“Hij wilde vast met rust gelaten worden.”

“Ja, vast.”

“Nou wat valt hier te zien, pa? Laten we gaan wandelen.”

Ernst keek naar het kind dat voor hem zat, klein tegen de groene rugleuning.

“Op wie lijkt hij volgens jou?”, vroeg hij aan zijn zoon die al terug aan het lopen was door de hal, richting de lift.

Zijn kleinzoon keek hem geconcentreerd aan, alsof hij televisie zat te kijken, en Ernst keek verloren terug. Hij probeerde woorden te zoeken die het jongetje zou begrijpen, die de ochtend weer logisch zouden maken, of iets dergelijks. De lift, de bank. Hij wist het ook niet.

“Kom maar snel weer van dat ding af,” zei hij tenslotte.