Junks, daklozen en koperdieven domineren de nacht in Kleiburg, de laatste authentieke Bijlmerflat

door Robert Alting

 


De laatste officiële bewoonster was een Surinaams-Hindoestaanse vrouw die luisterde naar de naam Chaya Phagoe. Zij woonde tot een paar maanden geleden nog in Kleiburg, de laatste authentieke Bijlmerflat, gelegen in het roerige hart van Amsterdam-Zuidoost, tussen de metrostations Kraaiennest en Ganzenhoef. Over de staat van het immense gebouw, dat in zijn hoogtijdagen aan vijfhonderd gezinnen onderdak bood, was zij afgelopen voorjaar nog duidelijk: “Het is een puinhoop. Het is verschrikkelijk dat dit in Nederland kan.”

Waar ze op doelde is nog altijd duidelijk te zien. De ontruimde sloopflat is door alle gebarricadeerde deuren, ontruimde gangen en grauwe balustrades een desolate en naargeestige plaats geworden. Alle andere flats zijn bij de start van de vernieuwing van de Bijlmer, vlak na de Bijlmerramp begin jaren negentig, gerenoveerd of (gedeeltelijk) gesloopt. Op één na dus. Om Kleiburg heen hangt beddengoed in de bomen, zijn de elektriciteitskasten gesloopt en liggen er versleten matrassen verspreid over de grond. Valt de nacht, dan mijdt de gewone man het verouderde Kleiburg.

Logisch, vindt Roy (niet zijn echte naam), die op een zondagnacht rond het gebouw dwaalt. De sneakers zonder veters, het blikje ALDI-bier dat hij in zijn rechter jaszak verschuilt, de muffe geur en de sporen van het buitenleven in zijn gezicht doen vermoeden dat Roy een zwervend bestaan leidt. En dat klopt, zegt hij.          

Hij zegt dat hij elke avond een route loopt om te kijken waar hij het beste kan slapen, en Kleiburg ligt op die route. Of hij weleens in Kleiburg slaapt? “Toch wel.” Hoe hij binnenkomt? “Gewoon. Ik ken de flat.” Dat komt omdat hij ooit een woning huurde in Kleiburg. “Maar dat is lang geleden. Jaren tachtig, negentig. Een vorig leven.” De vraag of hij kan vertellen hoe hij binnenkomt is er één te veel. Meer wil de man niet kwijt, blaft hij met Surinaamse tongval.



De flat stroomde leeg toen woningcorporatie Rochdale in 2009 besliste het veertig jaar oude pand op te doeken. De flat was een blok aan het been geworden. Te duur om te renoveren en door de zwakke woningmarkt onmogelijk om te verkopen. En dat terwijl flats als Kleiburg in de jaren zestig een toonbeeld waren van moderne architectuur. Ze werden gebouwd om tienduizenden Amsterdammers een mooiere woning en een gelukkiger leven te bieden.

Kleiburg was in die jaren niet zomaar een betonnen flat met ruime woningen: Kleiburg stond symbool voor het progressieve denken uit die tijd. Geluk was maakbaar. Maar er kwam weinig van terecht. De Amsterdamse middenklasse trok naar doorzonwoningen in Alkmaar en Purmerend. Veertig jaar van bewoning door mensen uit alle windstreken, illegale onderhuur, achterstallig onderhoud en groeiende bezoekjes van junks en daklozen deden de flat verloederen.      

Rochdale vond de situatie onhoudbaar. Om de ellende van het wonen in Kleiburg aan te kunnen, schreef Phagoe haar noodkreten op de muren van haar logeerkamer. Op de vierde verdieping zijn die nog te lezen. Op twaalf februari 2012 schreef Phagoe: “Iedereen die dit meemaakt krijgt een herseninfarct.” De post werd toen al een tijdje niet meer bezorgd. De postbode vond Kleiburg te gevaarlijk.



In de nacht verandert Kleiburg in het werkterrein voor koperdieven, verkrachters, daklozen en junks, die via de balkons de flat proberen te betreden. De sporen van inbraak zijn talrijk.

Dat klinkt als een heilloze zaak, maar toch heeft woonconsortium De Flat de handschoen opgepakt om Kleiburg van de sloophamer te redden. Van Rochdale krijgt De Flat tot de zomer van 2013 de kans om zeventig zogenaamde kluswoningen te verkopen. Dat zijn cascowoningen waar de koper tegen de laagste prijs per vierkante meter in Amsterdam naar hartenlust mee kan experimenteren. Alles is mogelijk: woningen boven of naast elkaar samenvoegen, eigen architectuur toepassen, met een hele familie een halve galerij kopen, noem maar op.    

Er zal een hoop gaan veranderen in Kleiburg. De geesten van de voormalige bewoners, die tijdens een tocht door de flat nog voelbaar zijn, zullen verdwijnen. De sporen van al die families die hier vanuit heel de wereld neerstreken, en die luisterden naar namen als Tutu, Laba Ouro en Pimentel, zijn nog niet uitgewist. In een kamer hangt nog een poster van Ja Rule, er hangen posters van Afrikaanse kerkgenootschappen en op de derde verdieping heeft iemand in zijn slaapkamer mysterieuze leuzen op de muur gekalkt als: ‘Ik ben vrijgekocht door het kostbare bloed van No Comprimise’ en ‘Je stem Jezus, nu je stem!’

Twee mannen die een half uur nadat ik Roy sprak tegen Kleiburg aanhangen en een sjekkie draaien, hebben niet zo’n zin om te praten. Ze maken een betrapte en verwarde indruk. Ze wonen in Kleiburg, zegt één van de twee. Hij zegt Ghanees te zijn en hij vraagt waarom ik hem dingen vraag, of ik van de politie ben en zo niet, of ik dan wat kleingeld heb. Hoe het bevalt, vraag ik hem, terwijl ik twee euro in zijn hand druk. “Goed,” zegt hij. “Er zijn stropers, die zijn gevaarlijk. Maar waar kan ik heen?” Er zijn volgens hem meer daklozen die tegenwoordig juist Kleiburg opzoeken. “Omdat hier ’s avonds niemand komt.” Dan lopen ze verder. Vanuit het donker roept hij nog iets naar me—geen idee wat.

Foto's door Milan Boonstra

Reageer