Het is geen pretje om een Braziliaanse politieagent te zijn

door Eduardo Roberto en Gabriel Vituri; Ilustraties door Juliana Lucato

Op 12 mei 2006 brak er een golf van geweld uit in São Paulo. In vier dagen vonden er in de stad 299 aanvallen op publieke instellingen plaats (politiebureaus, justitiegebouwen, busstations), meer dan 20 gevangenisopstanden en bijna 150 moorden. Eén van de oorzaken van het geweld was dat zeven belangrijke leiders van de criminele organisatie PCC overgeplaatst zouden worden naar een zwaarbewaakte gevangenis, waar het moeilijker voor hen zou zijn om invloed uit te oefenen over de criminele wereld buiten de gevangenis. De PCC en de politie van São Paulo zijn sindsdien in oorlog. 

Zes jaar later zijn er in 2012 minstens honderd politieagenten gestorven. Het aantal doden onder criminelen en burgers is ook gestegen, en in bepaalde favela’s en gevaarlijke buurten in de stad geldt een avondklok—soms ingesteld door de politie, soms door de PCC. We spraken een politieman (die anoniem wil blijven, omdat hij niet gek is) die ons een verhaal vertelde waarbij Un Prophète een kindersprookje lijkt. 
 

 

Ik ben een militaire politieagent in São Paulo, en als ik m’n identiteit prijsgeef verlies ik m’n baan. Ik werk in het centrum, in het hart van de stad. Het is één van de buurten waar de PCC de macht heeft. Ik zit al acht jaar bij het korps en werkte hiervoor in het zuidelijke deel van de stad, in een favela die Heliópolis heet. Het grootste deel van die tijd ben ik onderdeel geweest van de tactische eenheid.

De situatie zoals wij politieagenten hem op dit moment ervaren, is de ergste ooit. In 2006 wisten we wie de vijand was. We hadden allerlei soorten communicatiemiddelen tot onze beschikking, en konden back-up oproepen in de vorm van helikopters of de ROTA (de meest zwaarbewapende en gewelddadige Braziliaanse speciale eenheid). Nu is dat anders. We maken ons elke dag zorgen over de veiligheid van onze familieleden.
De grootste geweldsuitbraak tot nu toe vond plaats in september van dat jaar. In het begin hadden we één dode per twee weken, maar toen gebeurde het opeens dagelijks. Elke nacht stierf er een politieagent. We wisten al dat er iets aan de hand was sinds augustus, maar de gouverneur en het Ministerie van Openbare Veiligheid hielden vol dat er geen verband was tussen de verschillende sterfgevallen. Sommige officiële instanties ontkenden de aanvallen zelfs compleet.    

Later ontdekten we dat de Civiele Politie en het Openbaar Ministerie begin augustus de telefoons van een aantal criminelen hadden afgetapt. Op 5 augustus werd Piauí—een leider van de PCC— gearresteerd. De civiele politie wist dat er door hem de opdracht was gegeven om politieagenten te vermoorden, maar wij wisten dat niet. Ze hadden het wel aan het stadsbestuur gerapporteerd, en aan hogergeplaatste politiemannen. Het hoofd van de politie van São Paulo wist het wel, en de gouverneur ook, maar ons werd dus niets verteld. 
Veel mensen stierven in 2006. Niet alleen politiemannen op straat, maar ook mensen die werkten voor de administratieve afdeling, of voor interne zaken. De oorlog werd niet beperkt tot één bataljon. De opdrachten van de PCC-leiders riepen op tot wijdverbreide aanvallen die alle ranken en eenheden moesten raken. En dat is nog steeds gaande.
 
 
Geraldo Alckmin, de gouverneur van São Paulo, is van plan het hoofd van de lokale politie te vervangen, maar dat lost het probleem niet op. Alle politieagenten zijn bang. We hebben niet alleen onze manier van denken moeten veranderen, maar ook onze routine. Vroeger gingen we naar ons werk in uniform, zodat we niet hoefden te betalen voor de bus. (We krijgen geen reiskostenvergoeding, en mogen alleen gratis met het openbaar vervoer reizen als we een uniform dragen.) Nu zijn we te bang om in uniform te reizen. Ons salaris is met 20% verlaagd.

De werktijden zijn langer geworden. We hebben te weinig auto’s, en als we er al eentje hebben, moeten we er vaak meer dan twaalf uur per dag inzitten—zonder airco. De basis waar ik werk heeft één wc voor de officieren en burgers, en één voor de agenten, ergens in de kelder. In vergelijking met andere politiebureaus heb ik het in dat opzicht nog niet eens zo slecht: ik hoef tenminste niet naar buiten als ik moet plassen.

We reageren op zo’n vijftien tot twintig oproepen per nacht. Het grootste deel daarvan zijn geen politiezaken, maar verstoringen van de openbare orde. Dat zijn eigenlijk zaken voor het stadsbestuur, niet voor de politie, en dus een grote overbelasting voor ons. Omdat onze werkdagen zo hectisch zijn, hebben we nooit tijd om te studeren of zelfs te eten of te sporten. Ik bedoel, als je rondkijkt in São Paulo zie je dat de meeste politieagenten dik zijn, en alleen maar dikker worden, wat niet echt handig is als je achter iemand aan moet rennen.
 
Je uniform mag nooit gekreukt zijn. Als een dief gearresteerd wordt, kan hij op borg vrij komen. Als mijn laarzen vies zijn, kan ik twee dagen in de cel belanden. We dragen een wapengordel die slecht is voor onze rug. Onze wapens zijn slechter dan die van de criminelen. 
 

 

Er zijn ook criminelen die binnen het politiekorps opereren. Ik heb daar geen bewijs voor, en ken zelf ook geen agenten die deelnemen aan criminele operaties. Maar sommige moorden kunnen alleen verklaard worden als de politie er iets mee te maken heeft gehad.

Mijn partner is gestorven in de recente conflicten. Een groep mensen brak bij hem in, maar hij wist weg te rennen. Hij werd overgeplaatst naar een ander bataljon, maar werd niet veel later op weg naar huis neergeschoten. Hij kreeg geen nieuwe naam of identiteit, of advocaat, dus was het makkelijk om z’n adres te vinden. Informatie is te koop, en er zijn ongetwijfeld PCC-leden betrokken bij de politiemacht. Iedereen zonder strafblad kan zich aanmelden en de toelatingstest doen, aangenomen worden, en vervolgens informatie verkopen aan de verkeerde partijen. Maar niemand lijkt zich hier iets van aan te trekken, of er onderzoek naar te doen.

De ‘good cop’—de agent die zich niet neerlegt bij de manier waarop dingen gaan in het korps—wordt gepest. Als hij ertegenin gaat, sterft hij. Als hij erin meegaat, wordt hij zelf als een crimineel gezien. Het is een ingewikkelde, frustrerende stand van zaken.  

Ik heb pas een interview gelezen met een aanklager die beweerde dat de PCC de touwtjes in handen heeft in de Fundação Casa, een jeugdgevangenis. Het is eigenlijk wel logisch dat ze kinderen opleiden tot trouwe criminelen. In de wereld van de drugkartels wordt alles nu geregeld in de favela’s; coördinatie, distributie… zelfs gerechtigheid. Niemand belt de politie om een geschil op te lossen. Het proces wordt door de gangs zelf op eigen bodem gehouden.

Agenten die zich inzetten om arrestaties te maken, worden lastiggevallen door de rest van het korps. Er wordt gerommeld met je rooster en papieren, ze zorgen ervoor dat je geen auto hebt en vervalsen je statistieken. De luitenanten zijn blij als er geen werk wordt gedaan. Geen rapporten, geen problemen.

Denk aan een pukkel; als je er van twee kanten in knijpt, explodeert ‘ie in een stroom van bloed en pus. Zo gaat het ook met de corruptie in São Paulo. De politie drukt van één kant, de PCC van de andere, en het resultaat is een golf van dode agenten en bloederige straten. De PCC dreigt iedereen te vermoorden die z’n werk goed doet, en zegt dat er voor elke dode in de PCC twee politieagenten moeten sterven. Binnen de PCC krijg je promotie als je een politieman vermoordt, en blijkbaar vindt de staat dat goed.

Reageer