©2014 VICE Media LLC

    The VICE Channels

      Stenen, glas en traangas ontwijken bij de rellen in Caïro

      November 30, 2012

      Door Ester Meerman

       

       
      De Egyptische hoofdstad Caïro was deze week wederom het decor van grote demonstraties en hevige rellen. Aanleiding was in eerste instantie de herdenking van de rellen in de straat Mohammed Mahmoud van november 2011, waarbij 46 doden vielen en waarvoor tot op de dag van vandaag nog niemand is veroordeeld. Later richtte de woede van de demonstranten zich ook op de verregaande uitbreiding van de macht van president Morsi. Onder de demonstranten zijn veel jongeren, voor wie het niet gaat om politiek, maar om het wreken van hun gesneuvelde vrienden.
       
      Ik woon in de straat waar de rellen in eerste instantie plaatsvinden: Mohammed Mahmoud, op steenworp afstand van het Tahrirplein. Ideaal voor een journalist, want als er wat in Caïro loos is, dan is dat bijna altijd daar. Ik woon nu ruim anderhalf jaar in Caïro en dit is met afstand de beste locatie waar ik tot nu toe gewoond heb. En stiekem ook wel lekker dat de boel weer in de fik staat, want om rond te komen moet ik tegenwoordig weer Engelse les geven en muziekrecensies schrijven, en dat is niet bepaald waarvoor ik hier ben komen wonen.
       
      Er zijn twee brandhaarden op Mohammed Mahmoud: één aan het begin van de straat, bij het gebouw van de American University, en één bij een middelbare school een stukje verderop. Ik woon op nog geen vijftig meter van de school.
       
       
      Computers
       
      Aan het einde van de middag, op de eerste dag van de herdenkingen (vorige week maandag) escaleert het. De politie heeft zich verscholen in het Lycée Français. De demonstranten gooien met stenen en vuurwerk, en daarna ook met molotovcocktails.
       
      De politie gooit met zo’n beetje alles wat ze kunnen vinden. Het is een belachelijk gezicht. Werkelijk alles komt uit het raam gevlogen: stoelen, computers, zelfs hele schoolbanken. Toch lijkt de politie niet erg hun best te doen om de demonstranten ook daadwerkelijk te raken. Veel stenen worden bijvoorbeeld met een flauw boogje uit het raam gegooid. Niet prettig als je geraakt wordt, maar je houdt er ook geen ernstige verwondingen aan over. Als het de politie te heet onder de voeten wordt schieten ze traangas de straat op, zodat het weer even rustig is.
       
      Qua intensiteit hebben deze rellen weinig te maken met die van vorig jaar in Mohammed Mahmoud. Toen werd er met scherp geschoten en was niet alleen de oproerpolitie, maar ook het leger aanwezig. Het leger heeft zich nu nog niet laten zien en qua ammunitie gaat het niet verder dan hagel en traangas. En bergen stenen. Vorig jaar stonden leger en politie op straat in plaats van zich te verschuilen in gebouwen. Om de rellen te stoppen werd uiteindelijk een betonnen muur opgetrokken. Dankzij die muur is mijn straat nu verkeersluw en heerlijk rustig.
       
      Al de eerste dag valt het me op dat de demonstranten overwegend jong zijn. Sommigen lijken de basisschool nog niet eens ontgroeid. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat ze demonstreren tegen de aangekondigde maatregelen van Morsi, dus iedere keer wanneer er eentje nieuwsgierig tegen me aan begint te praten (“Waar kom je vandaan? Hoe heet je?”) vraag ik wat ze hier doen. Veel halen op die vraag hun schouders op, of komen met een vaag antwoord als “De politie is kut.” Waarom de politie dan kut is weten ze niet onder woorden te brengen.
       
       
      Lachen
       
      Op de derde dag, woensdag, vind ik er eindelijk een paar die wat mondiger zijn. “Waarom ben je hier nog steeds? Het is hier gevaarlijk, moet je niet naar huis?”, vragen ze. “Ik woon daar,” zeg ik, een stukje verderop wijzend, terwijl de tranen me over de wangen lopen van de restanten traangas die nog in de lucht hangen. Ze liggen dubbel van het lachen.
       
      Ze schudden me de hand en stellen zich allemaal voor. Khaled, Mohammed, Ali en Hussein. Ze zijn tussen de twaalf en vijftien jaar. Zonder uitzondering komen ze uit de armere wijken van Caïro. Mohammed loopt rond op blote voeten. “Waarom heb je geen schoenen?”, vraag ik hem. “Geen geld voor,” klinkt het kortaf. “Hij woont op straat,” vertelt Khaled me. Mohammed loopt beschaamd weg.
       
      Ik vraag aan Khaled waarom ze hier zijn. “Fuck de politie,” antwoordt hij in het Engels. Maar Khaled kan als eerste wel uitleggen waarom. Een van zijn vrienden is omgekomen tijdens de vorige rellen op Mohammed Mahmoud, een ander bij het drama in het voetbalstadion in Port Said. “Ik ben hier om ze te wreken.” Het is een scenario dat voor veel van de jonge relschoppers geldt. “Hij verloor zijn beste vriend. Zijn broer werd in elkaar geslagen door de politie en gearresteerd, en zijn familie wist maandenlang niet waar hij was,” legt Khaled uit terwijl hij om zich heen wijst. “Wat wil je dat er politiek gezien gebeurt?”, vraag ik hem. Hij haalt zijn schouders op. “Of Mubarak er nou zit of Morsi, onze vrienden zijn nog steeds dood.”
       
       
      Glas
       
      Later die avond ga ik terug naar de school. De vete is weer opgelaaid en massa’s stenen en stukken glas vliegen over en weer. Ik verschuil me achter een boom aan de overkant van de straat. Om me heen vallen stenen, maar dankzij de boom kan ik zelf niet geraakt worden. Althans, dat denk ik.
       
      Net als de regen van stenen wat minder lijkt te worden en ik er weer vandoor wil gaan, slaat er een groot stuk glas achter me tegen de muur in stukken. Het regent scherven op mijn hoofd. Een paar jongens rennen op me af om de stukjes glas uit mijn haar te komen plukken. Khaled komt boos op me afgesneld. “Kijk nou uit, gek!”, roept hij in het Arabisch naar me. “Straks ga je stuk!”, komt er in gebroken Engels achteraan. “Hoppa, wegwezen hier!”, zegt hij terwijl hij me aan mijn arm in de richting van mijn huis sleurt.
       
      “Zie je nou wat ik bedoel?”, zegt hij tegen me als we voor de ingang staan van het gebouw waar ik woon. “De politie is tuig. Ze willen ons allemaal kapotmaken. Jou nu ook.”
       
       
      Vuurtje
       
      Donderdag zoek ik de jongens opnieuw op. Het loopt tegen het einde van de middag en tegen de tijd dat ik bij de school aankom is het net even rustig. Een paar jongens stoken midden op straat een vuurtje en even verderop proberen anderen het kleine brandje tegen de voorgevel van de school groter te maken. Khaled zit verschuild achter een soort ijzeren golfplaat een broodje te eten.  
       
      Ik loop rond om wat foto’s te maken. Na een paar minuten landt er een stuk baksteen ter grootte van een tennisbal vlak naast mijn voet. Er staat in een straal van vijftien meter niemand anders, dus die moet haast wel voor mij bedoeld zijn geweest. Geschrokken sprint ik ervandoor.
       
      Achter me gaan de jongens helemaal los. “Hé! Zij is fotograaf, man! Doe eens normaal! Je gooit toch geen stenen naar een buitenlander!”, klinkt het woedend. Als ik me een stukje verderop in de straat weer omdraai om te kijken hoe het ervoor staat, zie ik een ware regen van stenen richting het gebouw gaan. Als mijn blik die van Mohammed kruist, steekt hij lachend zijn duim naar me op. De aanval op mij is gewraakt.
       
       
      Brandend karton
       
      Die avond is er een kleine menigte op het Tahrirplein. Een groep mensen heeft zich verzameld rond een man die op de schouders van een andere man slogans tegen de Moslimbroederschap schreeuwt. Er ontstaat lichte paniek wanneer er opeens een brandend stuk karton in de menigte opduikt. Ik ren er met mijn camera op af, maar ben net te laat om een goede foto te maken.
       
      “Is het een mooie foto geworden?”, vraagt een jongen een paar minuten later aan me. Ik schat hem twaalf jaar oud. “Nee, ik was net te laat,” zeg ik. “Voor 1 Egyptische pond doe ik het nog een keer,” lacht hij, terwijl hij triomfantelijk met een half afgebrand stuk karton in mijn gezicht zwaait.
       
      Ik vraag hem wat hij hier doet. “Ik woon hier,” zegt hij. “In de buurt van het plein?”, vraag ik. “Ik slaap soms in het metrostation, en soms in die steeg daar,” zegt hij, vaag gebarend. Ik vraag hem wat hij van de situatie vindt. “Pfff, politiek,” schampert hij. “Allemaal gelul.” Al schouderophalend loopt hij weg. “Kom maar terug als je nog wat foto’s van vuur wilt,” roept hij nog na. “Dan regel ik dat voor je.”

      -

      Thema's: Egypte, rellen, Traangas, Cairo, Glas, Stenen, Mohammed Mahmoud, Politie, Morsi, Mubarak

      Comments