Literatuur

Tommie noemde op zijn eerste schooldag de meester een nazi en kreeg klappen van een gabber

Onze oud-hoofdredacteur Mick Johan heeft een boek geschreven, hier is een voorpublicatie.

door Mick Johan
18 januari 2017, 3:52pm

Bovenstaande foto is gemaakt door de geweldige Dennis Duijnhouwer!

Mick Johan was op zijn vijfentwintigste de allereerste hoofdredacteur in de geschiedenis van VICE Nederland ooit. Dat was vanaf 2006, een voor de rest niet zo heel relevant jaar. Naast ex-hoofdredacteur is Mick drummer, huisman, kunstenaar en schrijver. Hij groeide op in Duitsland als de zoon van een militair, en binnenkort komt bij Lebowski zijn debuutroman uit: Totemdier Arafat.

Het gaat over Tommie, die op zijn veertiende naar Duitsland verhuist, waar zijn vader als commandant in het Nederlandse leger gestationeerd wordt. Hij komt op een school terecht met andere kinderen van Nederlandse militairen en heeft er een rottijd, tot hij soldaat Tjendol ontmoet. Ze worden extreem goede vrienden, en Tjendol introduceert Tommie in een wereld van drugs, geweld en gabberhouse. Wanneer Tjendol in verband wordt gebracht met een zelfmoord tijdens een missie sleurt hij Tommie mee in een neerwaartse spiraal.

Hieronder vast een voorproefje.
-

Een vijand geeft het leven zin

Als ik het schoolplein op loop voel ik iedereen kijken. Zelf kijk ik naar de grond, hopend dat de straling van mijn gemoed ze allemaal doet smelten en tussen de met onkruid begroeide ruimte tussen de stoeptegels weg laat sijpelen. Het plein is nog geen half voetbalveld groot en de school lijkt wel een noodgebouwtje. Een grijs noodgebouwtje. Alles is pauper. Ik spuug op de grond. De grillige rochel landt vlak voor mijn schoen, gesis van een wegsmeltende tegel blijft uit. De fietsenstalling aan de overkant van het schoolplein is overdekt. De overkapping steekt uit boven een bankje waarvoor een groepje staat te roken. Gabbers. De cool kids van de school. Zij kijken me wel aan. Ze kijken moeilijk. Ik probeer met mijn hele lichaam een opgestoken middelvinger uit te stralen. De bel gaat. Ik draai mijn gezicht naar de zon, zoekend naar de donkere wolk die ik bij me draag. Ik sluit mijn ogen en haal diep adem. Here we go.

Mijn rooster vertelt me dat we met natuur- en scheikunde beginnen. Er zitten maar zes leerlingen in het lokaal. Dit is blijkbaar mijn klas, havo/vwo 3. Voor het bord staat een man met een doktersjas, een klein, grijs sikje en een bril. Ik kom naast een jongen te zitten die zich voorstelt als Jabbo. Iedereen ziet eruit als een nerd, behalve hij. Hij heeft het meest asymmetrische gezicht dat ik ooit heb gezien. Zijn neusgaten lijken van twee verschillende rassen afkomstig te zijn. Degene die de mond in zijn gezicht heeft geplaatst was op dat moment met zijn aandacht ergens anders. Zijn mond zit op zijn wang. Hij lijkt aan zijn acne te krabben. Hij stelt zich aan me voor en toont me meteen het vlindermes in zijn tas. 'Let op.' Hij doet alsof hij zijn veter gaat strikken, haalt het mes uit zijn tas en laat me een paar vliegensvlugge handelingen met het vlindermes zien. Hij is er goed in, maar ik weet niet hoe ik erop moet reageren, dus laat ik dat achterwege.

'Zo. Een nieuw gezicht, jongens: Tom. Hallo Tom, ik ben meneer Harkel.' Hij richt zich tot mij. 'Ga eens staan, Tom, en stel je voor.'

Ik blijf zitten, steek zo futloos mogelijk een hand op en zeg: 'Hallo, ik ben Tom.'

'Ga eens staan, Tom,' zegt hij, nu iets nadrukkelijker.

'We zijn met zijn zessen, ik denk dat iedereen me wel gezien heeft.'

'Ga eens staan. Nu.' Hij begint een beetje kwaad te worden.

'Waarom?' vraag ik.

'Omdat ik dat zeg.'

'U kunt beter een hondje nemen.' Hij grijnst. 'Tom, ik denk dat wij hele goede vrienden zullen worden. Ga jij je maar even voorstellen aan de rector.' En zo word ik voor het eerst de klas uit gestuurd. Binnen tien minuten in mijn eerste les op mijn nieuwe school, nog voordat de rest zich aan me voor kan stellen. De Hark, een lul in een doktersjas die zo nodig het jaar met een statement wil aftrappen. Hij heeft echter geen idee wie hij nu tegenover zich heeft.

De school is klein, er zitten in totaal slechts 109 leerlingen op, die vmbo, mavo, havo of vwo volgen. Er is geen enkele klas met meer dan twaalf leerlingen. De school bestaat uit zes lokalen, een lerarenkamer, wat wc's en de kamer van de rector. Alle ruimtes bevinden zich aan één lange gang. Het ruikt er naar linoleum en noodgebouw. De muren zijn grijs en de vloer en deuren donkerblauw.

De kamer van de rector is helemaal aan de andere kant van de school. Langzaam loop ik door de lange gang, mijn armen gespreid. Ik kan de wanden net niet raken. Ik sluit mijn ogen en achter mij verandert de gang in rottend vlees. Wondvocht druipt van het plafond. Anoniem vlees: pulserend, harig en dooraderd. De warmte voelt klam in mijn nek, en vanuit het deel van de gang waar ik vandaan kom begint het gebouw uiteen te vallen. Brokken vlees en samengeklonterde maden glijden van de zachte muren op de drassige vleesgrond. Ik ben Jonas in de ontbindende walvis. Het zuigen en het naakte kletsen van de natte lappen is bijna tastbaar. Het vlees is pas echt dood als het niet meer bestaat. Ik open mijn ogen pas als ik een paar passen verwijderd ben van het kantoor van de rector. De wereld is er gewoon nog. de grauw staat er op het bordje. Ik klop.

'Binnen.' De Grauw heeft lambrisering in zijn kantoor laten aanbrengen. Een protserig uit hout gesneden naambordje met gouden letters siert zijn bureau. Achter zijn bureau hangt een grote ingelijste foto van twee galopperende zwarte paarden. In de ene hoek staat een kleine palmboom in een enorme pot en in de andere een vitrinekast met een aantal wapenschildjes waar het leger zo van houdt, en een schaalmodel van de Saab 9000 Turbo die ik op de parkeerplaats van de school al zag staan. De hele kamer lijkt samengesteld te zijn uit hoogwaardig en puur eikel-dna.

De Grauw neemt zijn leesbril af, hangt een pootje in zijn mondhoek en zegt ernstig: 'Zo.' Hij lijkt zo op Boss Hogg van The Dukes of Hazzard dat ik hem vanaf nu zo zal noemen.

'Hallo, ik ben Tommie. Ik ben eruit gestuurd bij Harkel.'

Hij kijkt heel even oprecht verbaasd, maar herpakt zich direct. 'Meneer Harkel, bedoel je. En hoe is dat mogelijk? Het jaar is nog geen kwartier oud.'

Ik wil een grote cowboyhoed voor hem kopen waar hij in kan bijten als hij weer met mij te schaften heeft. Ik leg hem uit hoe het gegaan is.

'Luister, Tommie,' vervolgt hij. 'Dit is geen manier om bij een nieuwe school te beginnen. Ik weet waar je vandaan komt, ik ken je vader. Zo gaan we niet met elkaar om hier. Waarom stond je niet gewoon op om jezelf voor te stellen?'

'Het leek me nogal onzinnig, iedereen kon me zo ook gewoon zien.'

'Maar meneer Harkel vroeg toch of je wilde opstaan?'

'Klopt, maar meneer Harkel is er volgens mij om ons iets te leren, niet om mij te laten opstaan puur en alleen omdat hij dat wil. Hij kan beter een poppentheater als hobby nemen als hij daarop kickt.'

'In het lokaal van meneer Harkel heb jij te doen wat meneer Harkel zegt. Zo simpel is het, jongen.'

'Dat zeiden de naziofficieren ook.' De nazi's zijn mijn lievelingsargument als het aankomt op bevelen opvolgen.

Boss Hogg wordt boos. 'Nazivergelijkingen kun je beter heel gauw afleren, dat wordt hier absoluut niet getolereerd. Wat denk jij eigenlijk?'

Aan alles merk ik dat hij er niet op voorbereid was om zo vroeg in het schooljaar al met een situatie als deze geconfronteerd te worden. Ik geniet van zijn onmacht. De verhoudingen zijn vanaf het eerste moment al bepaald, maar het is aftasten met wat voor persoon je te maken hebt. Vooral voor hem.

'Het is de eerste dag, dus je komt er met een waarschuwing vanaf, maar besef dat je gewaarschuwd bent. De volgende keer zal dat niet zo gemakkelijk gaan, vriend. En nou wegwezen.'

Ik draai me om en fluister: 'Jawohl.'

In het tweede uur hebben we Nederlands. Deze leraar lijkt op een koek, zijn pokdalige gezicht is perfect rond. Zijn flanellen ruitjesblouse zit onhandig in zijn broek, alsof hij tijdens het plassen werd afgeleid. Alles aan deze man is onhandig. Jabbo zit weer naast me. Hij heeft nog vijf messen in zijn tas, waaronder een aardappelmesje. Ik vraag hem wat hij daarmee moet.

'Het is gewoon ook een mes. Ik hou van messen.' Hij belooft me dat hij in de pauze zal laten zien hoe goed hij met zijn vlindermes kan omgaan.

Het derde uur is wiskunde. De leraar stelt zich aan mij voor als meneer Schep, waarop ik een lachje niet kan onderdrukken. Hij vraagt wat er zo grappig is, waarop ik vraag of ik nog meer tuingereedschap voor de klas kan verwachten. De klas lacht. 'Ik waarschuw maar één keer, jongeman. Gedraag je, anders ben ik genoodzaakt je uit de klas te verwijderen.' Hij praat zoals de lezer van het Polygoonjournaal. Schep is een klein mannetje. De combinatie van zijn lichaamshouding en een enorme haakneus maken dat hij op een vale gier lijkt. Of op Dolf, de kraai uit Alfred Jodocus Kwak, die op zijn beurt weer op Hitler leek. Schep brengt terug naar Duitsland wat ooit in Duitsland begon.

In de pauze neemt Jabbo me mee naar de cool guys bij het fietsenhok. Hij stelt me aan iedereen voor. De langste van het stel draagt twee Aussies. Hij heet Joene, 'maar iedereen zegt Yoyo'. Hij is de meest archetypische gabber die ik ooit de hand heb geschud. Air Max, een Aussie-broek en twee jasjes over elkaar, ondanks de enorme hitte. Hij heeft een spits gezicht en op zijn neus hangt een rond zonnebrilletje met hologrammen van wietblaadjes. Alles klopt, hij lijkt wel een grap.

'Hou je van drugs, hè? Hou je van drugs? Hasj, coke, pillen? Als je iets zoekt: ik heb het. Ja?'

Ik knik en vraag me af of deze jongen stil kan zitten. Hij beweegt constant en nerveus, alsof de grond voor hem te heet is om op te staan.

Een andere jongen stelt zich voor als Martje. Hij draagt ook een Aussie en een petje, waarvan de hoeken van de klep zo naar beneden zijn gevouwen dat ze elkaar praktisch raken. De pijpen van zijn Aussie bedekken bijna helemaal zijn zwarte kisten. Het ziet er dom uit. Hij heeft kleine, geniepige oogjes en de huidskleur van een varken. Het is een gluiperd, ik moet hem niet. 'Wat doet je vader?' vraagt hij.

'Hetzelfde als de jouwe, lijkt me, waarom denk je anders dat ik hier ben?'

'Maar wat doet hij? Wat voor rang?'

'Wat kan jou dat schelen?'

'Gewoon. Dat is een standaardvraag hier. Is het geheim of zo? Zit je vader soms bij de marechaussee?' Hij priemt met zijn wijsvinger in mijn borstkas, waarbij hij zo dichtbij komt staan dat erg duidelijk wordt dat hij een stuk groter is dan ik.

'Blijf van me af, mafkees.'

'Wie is er hier een mafkees, kankeralto? Wie denk je dat je bent, kankeralto? Met je geheime kankervader!' Voor ik het weet lig ik op de grond met een wurgende hand om mijn keel. In mijn val schiet ik langs de billen van een van de meisjes. Mooie billen, gehuld in Energy-jeans met een geweven illustratie op de achterzak. Ik glimlach. Dat werkt niet per se goed op Martje, die mij in een wurggreep houdt. Hij geeft me een tik op mijn neus. Tranen schieten in mijn ogen. 'Hey Martje, wat doe jij nou?' zegt Jabbo. Martje reageert niet. In plaats daarvan krijg ik nog een tik.

'Wat lach je, kankeralto?'

Ik probeer omhoog te komen, waarop Martje mijn keel harder dichtdrukt. Een dun straaltje bloed uit mijn neus glijdt over mijn mond. Net als ik sterretjes in mijn ooghoeken begin te zien, trekt Jabbo hem van me af.

'Martje, doe even normaal, man. Het is zijn eerste dag hier.'

Ik krijg met de vlakke hand nog een pets op mijn wang voordat Martje van me af gaat. Jabbo helpt me omhoog. Ik sta wankel op mijn benen.

'Gaat het?' vraagt het meisje. 'Ik ben Nicky. Je hebt een bloedneus.'

Mijn neus doet zeer en mijn wang gloeit nog na. Martje loopt weg, draait zich om en wijst naar me.

'Jij gaat het hier nog leuk krijgen, kankeralto.'

De bel gaat en iedereen schuifelt richting de school. Nicky blijft nog even bij me staan. Ik haal met mijn handen het bloed onder mijn neus vandaan, veeg mijn handen aan mijn broek af en geef Nicky een hand.

'Hoi pipeloi, ik ben Tommy.' Ik probeer het zo cool mogelijk te zeggen, maar mijn stem klinkt alsof mijn adamsappel nog niet helemaal op de juiste plek zit. Ik voel me nog wat licht in mijn hoofd. Ze lacht erom en tegen alle verwachtingen in neemt ze mijn bebloede hand aan.

'Iew, Nicky, doe niet zo goor. Ik ben Tamara en dit is José, en wij zijn weg.' Haar vriendinnen trekken een blik van afgrijzen, draaien zich om en lopen weg. Nicky heeft zachte handen. Ik probeer er geen bloed aan te vegen, maar dat lukt niet.

'Sorry,' zeg ik terwijl ik mijn hand terugtrek. Nonchalant veegt ze haar hand af aan haar broek.

'Geeft niet. Sorry voor Martje. Hij is een eikel.'

Ik haal mijn schouders op. Het bloed stroomt nog steeds uit mijn neus, in grote druppels op de grond. 'Mooie broek,' zeg ik terwijl ik druk in de weer ben om zo min mogelijk bloed op mijn kleding te krijgen. Ze lacht en frummelt haar lange bruine haar achter haar oor. Ik denk aan twee dingen:

Mijn vinger in haar kut.

Morgen een mes mee naar school nemen.

Bestel het boek hier.