Foto door de auteur

Waarom ik soms moet huilen op festivals

Ewout Lowie

Ewout Lowie

Niet zelden biggelt er op de laatste dag van een festival een zoute druppel over mijn doorleefde, plakkerige gezicht. Stel ik mij aan?

Foto door de auteur

Dit artikel verscheen eerder in de VICE Festival Guide.

Het is zondagavond, mijn lichaam voelt als een uitgebrande kernreactor, en de geur van duizenden mensen die drie dagen uit hun reet zijn gegaan drijft als een dichte, zieke mist over het terrein. Er schijnt zo nog een of andere relevante band te spelen, iets waar ik bij de bekendmaking van de line-up zeer enthousiast over was, en hoewel ik veel te gaar ben om daar nog enigszins in geïnteresseerd te zijn, stiefel ik toch maar met een clubje vrienden en vage kennissen richting het betreffende podium. Uitglijdend over een drugsdrol schaats ik de festivaltent binnen. Ik wurm me langs lichamen waar het aangekoekte zweet vanaf bladdert, tot we voorbij de paal zijn waar ik gisteren nog iemand tegenaan ­­zag urineren en we een goed uitzicht hebben op het podium. Een lied wordt ingezet, het klinkt zuiver, hard, mooi, er zijn felle lichten, er dreigt vervoering. Niet veel later: pats. Waterlandertjes.

De festivalgrien is me meerdere keren overkomen. Noem me een festival­melanchool. Ik kan het ook niet echt helpen en beschouw het delen van deze informatie ook als een lastige coming-out (ben een witte heteroman), aangezien ik in mijn jeugd echt veel te weinig leed heb ­meegemaakt om door wat muziek aan ­herinnerd te ­worden. Het gebeurt altijd op de laatste dag van een meerdaags festival. Toen ik op Melt vier dagen lang murw was ­gebeukt door de techno en er ­ in een tent opeens wat gitaar-Britten ­meerstemmig begonnen te zingen. Toen ik m’n vrienden kwijt was op Lowlands en er – niet lang nadat ik een man in een plaskruis had zien poepen – voor mijn neus opeens straattheater met sicke ­muziek uit het ­interbellum begon (extra gênant want kom op: iedereen haat straattheater). Toen ik op Glastonbury naar Patti Smith stond te kijken en de dalai lama opeens het ­podium opkwam om zijn verjaardagstaart aan te snijden, waarna Patti People have the Power inzette.

Op zich is die laatste festivaldag het meest logische moment om overvallen te worden door een sentimenteel gevoel: iets leuks dat bijna voorbij is (keten met je maten, je als een partyzwijntje gedragen, met z’n ­allen logeren op hetzelfde grasveld, brakke tranen lachen) zorgt ervoor dat je al bijna met heimwee aan het terugdenken bent aan iets waar je op dat moment nog in zit. Dat is niet heel anders dan de treur die vroeger op zondagavond inzette, wanneer je de Studio Sport-tune hoorde en wist dat je je pyjama aan moest trekken, omdat je morgenochtend weer naar rotschool moest, met z’n stinkende rekensommen en lauwe pakjes schoolmelk en snottebelkinderen tijdens de overblijf.

illustratie door Jip Piet

Ook ben je op die laatste dag natuurlijk een fysiek en emotioneel wrak. Het ­zorgvuldig opgebouwde slaapgebrek en meerdere dagen naar de vaantjes gaan, zorgen er nu eenmaal voor dat je ziel ­wagenwijd openstaat, en dingen flink ­harder binnenkomen dan normaal.

Toch zit de kern van de biggelende festival­traan ‘m in iets fundamentelers, volgens mij. Kijk, als je duizenden mensen op elkaar zet en laat doen waar ze zin in hebben, is er blijkbaar een soort gedeelde definitie van wat het allerleukste is om te doen, en dat is: het opzij zetten van ­be­schaving. ‘s Ochtends bier drinken, in een te krap zittende onderbroek naar de­ ­camping-wc’s lopen, lekker in de greppel ­­hangen ondanks dat dat ‘s nachts een wc is, drugs gebruiken rond lunchtijd, keuvelen over wie er de vorige avond over z’n eigen schoenen heeft gekotst, erotisch aan ­ongedouchte lichaamsdelen likken, ­er halfnaakt bijlopen, domme dingen ­roepen. Dingen die in het dagelijks leven niet echt oké zijn, worden op een festival totaal ­getolereerd, en dat is lachen. Niemand vindt het extra leuk om op een gore ­festival-wc te moeten zitten, maar ­tegelijkertijd is het verleggen van onder­­grenzen, van de norm, van viesheid en lompheid, een cruciaal deel van een ­festival. Van de lol. Van hetgeen we het liefst doen.

En dan, precies als al deze dingen hun ergste tol eisen, en iedereen z’n lichaam zowel van binnen als van buiten tot op het bot heeft bevuild, glij ik die tent binnen, en blijkt dat al die andere zwijnen zich hier ook hebben verzameld, om met z’n allen te luisteren naar iets wat ze mooi vinden. Iedereen verbijt z’n kater om artistieke schoonheid tot zich te nemen. En niet omdat ze er een CKV-verslag over moeten schrijven, of omdat ze mee moesten met hun moeders die het als een belangrijk stukje opvoeding zien, maar met loepzuivere intenties. We hebben de verdorvenheid dagenlang omarmd, we hebben zaken als ‘beschaving’ lachend aan de wilgen gehangen, maar nu kiezen duizenden stinkerds ervoor om massaal te gaan kijken naar iemand die iets opvoert wat we mooi vinden. Het mooie wordt uiteindelijk ­verkozen boven het lelijke. Dat geeft mij hoop, en zorgt blijkbaar voor een glinsterend druppeltje dat zich een weg baant door de laag baco die al sinds vrijdagmiddag op m’n wang zit.

Knal vol gas het festivalseizoen in met VICE. Lees deze zomer alles over festivals op festivals.vice.com en volg VICE Festivals op Facebook.

Meer VICE
VICE-kanalen