Motherboard

Verboden Toegang: Onder de 380 kV-kabels van een Nederlands schakelstation

“Iedereen heeft weleens een tik gehad. En 100 volt is geen pretje, maar daarboven wordt het echt gevaarlijk.”

door Laura van der Haar
26 februari 2018, 10:22am

Foto's: Jan van Tienen

In de serie Verboden Toegang gaan we naar de verborgen plekken op de wereld waar de natuur plaats heeft gemaakt voor technologie. In aflevering 1: het transformatorstation.

Verzamelingen brommende masten en draden op afgelegen locaties, omzoomd door hekwerk. 380 kV-stations heten die, ook wel transformatorstations, ook wel trafostations, ook wel schakelstations, ook wel hoogspanningsstations. Ze zorgen ervoor dat onze lamp brandt, maar wat gebeurt daar precies?

Het adres kan niet missen: twee gestapelde zeecontainers naast een gigantisch veld hoogspanningsmasten. In de bovenste container zetelt volgens het bordje de uitvoerder, in de onderste moeten bezoekers zich melden. Zeven mannen zitten er aan een uitgebreide lunch.

"Hee! Een vrouw!" roept iemand met een krentenbol.

"En een man!" roept een ander zodra Jan van Tienen - die van iedere hoogspanningsmast die hij tegenkomt een foto maakt en dus vroeg of hij please please please mee mocht - naar binnen stapt. "Ook leuk! Daar staat koffie!"

Nadat we met veel vreugde zijn onthaald en een dampende mok koffie in handen hebben, blijkt niemand de Annemarie met wie ik heb afgesproken te kennen. Dat komt na nog wat doorvragen omdat we op het verkeerde terrein zitten.

"TenneT is van de 380! Wij zijn van Liandon, wij doen hier alleen de 150!"

Jan z’n trui met de type ton-masten.

Bij TenneT - twee kilometer verder het braakliggende veld op - is het onthaal al even vriendelijk. Een grote zak paasschuimpjes en een pot dampende koffie staan klaar.

"Ah leuk! Type ton-masten!" roept Theo Molier, de ingenieur die het hele terrein ontworpen heeft zodra Jan, voor de gelegenheid in zijn elektriciteitsmastentrui, zijn jas openritst.

"Watte?"

"Het type ton-mast! Kijk. Als ik zo vrij mag zijn?" Theo tekent een denkbeeldige lijn tussen de armen van de mast op Jan z’n trui. "Zie je? Dan krijg je een tonnetje. En dat is de Donau-mast." Theo wijst naar buiten, waar een stel hoogspanningsmasten, de Donau-masten dus, de verte in verdwijnt. "Als je er eenmaal op gaat letten zul je zien dat alle masten verschillend zijn!"

Ik vertel over de reusachtige witte masten die achter het huis van mijn moeder verrijzen, die eigenlijk al niet meer lijken op deze ouderwetse stalen versies.

"Waar woont je moeder?" vraagt Annemarie Slingenberg-Koch, de woordvoerder van TenneT waar ik dus mee had afgesproken.

"Op de grens van Wehl en Doetinchem."

"Ah ja, de wintrack-masten. Die gaan rechtstreeks naar Duitsland. Maar hoe kom je erbij om naar een schákelstation te komen?"

Iets heel specifieks eigenlijk, namelijk de diergrens. Jaren geleden werkte ik een tijdje op een transformatorstation in Zuid-Holland — archeologisch onderzoek om te bepalen of op die grond uitgebreid mocht worden. De opzichter daar zei op een dag: kijk eens goed om je heen, in de lucht en op de grond.

"Iedereen heeft weleens een tik gehad. En 100 volt is geen pretje, maar daarboven wordt het echt gevaarlijk. 380 kilovolt overleeft geen enkel organisme."

Dat deed ik.

"En? Valt je iets op?"

"Nee?"

"Nee klopt, want het is er ook niet. Hier leeft namelijk niets. Kijk nog maar eens rond. Op de grond en in de lucht."

Deed ik.

"Je ziet hier nog geen mug, rups of mier!"

Inderdaad, er kroop of vloog niets. Nul insecten. Of dat hier ook zo is, vroeg ik me af.

"Zeker," beaamt Theo, "op elk transformatorstation. Het elektromagnetisch veld is te groot voor ze. Mensen merken het soms ook, dan gaan je haartjes op je arm overeind staan bijvoorbeeld."

Het einde van dat elektromagnetisch veld zou je in principe zelfs aan kunnen wijzen: een grens vanaf waar het ineens weer krioelt van de insecten. Ongeveer op de plek van de hekken.

Vandaar mijn interesse. Plus naar wat de hel hier verder allemaal gebeurt, wat staat hier eigenlijk allemaal op het terrein en hoe werkt het? Heel in het kort maakt dit plaatje van TenneT dat duidelijk.

Schakelstations zijn knooppunten in elektriciteit. Theo maakt de analogie met het wegennet, die is het makkelijkst. Energie gaat van hoog naar laag, en de grote snelwegen doet TenneT. De hoogspanningslijnen van 220.000 en 380.000 volt (220 en 380 kilovolt, kV dus) vormen de snelwegen van het hoogspanningsnet, en bij elektriciteitstransport geldt: hoe hoger de spanning, hoe minder verlies. "Dus voor grotere afstanden kies je een hogere spanning en dat neemt kwadratisch toe."

"Kwadratisch?"

"Sneller dan snel."

Dus om elektriciteit over grote afstanden te transporteren, wordt die in de buurt van opwekking naar een zo hoog mogelijke spanning getransformeerd. En dat gebeurt met transformatoren, waar er hier, in Vijfhuizen, drie van staan. Station Vijfhuizen is weer één van de 325 schakelstations in Nederland. Als de 380 kilovolt eenmaal bereikt is, kan de elektriciteit grote afstanden over de “snelwegen” racen zonder risico op teveel verlies. Dan belandt het via knooppunten in het lagere/regionale transportnet, met een spanning van 150 kV (zoals waar we ons eerste bakje koffie kregen) of 110 kV. De provinciale wegen zeg maar. Vervolgens gaat de elektriciteit - vaak ondergronds vanaf dit punt - naar de steden en dorpen, met een spanning van 10, 20 of 50 kV. Tot slot worden die kilovolts nog één laatste keer getransformeerd, in de transformatorhuisjes zoals die in al onze wijken staan.

"Op circa iedere vierhonderd huizen staat één transformatorhuisje. Dat zijn juweeltjes soms," vindt Theo. "Die uit de jaren dertig bijvoorbeeld, veel ervan zijn zelfs rijksmonument." Vanuit die huisjes wordt de stroom met een spanning van 230 of 400 volt naar onze stopcontacten gestuurd.

"Om nog even binnen die snelwegmetafoor te blijven: hoe hoger hoe gevaarlijker. "Iedereen heeft weleens een tik gehad. En 100 volt is geen pretje, maar daarboven wordt het echt gevaarlijk. 380 kilovolt overleeft geen enkel organisme."

Maar hoe zou je die 380 kV überhaupt kunnen krijgen, daar hangen die kabels toch veel te hoog voor? vragen Jan en ik ons af. "Bijvoorbeeld door te gaan vliegeren met nat weer. Als een droge vlieger in de mast beland voel je het een beetje prikken, maar met een natte geleiding is het direct einde verhaal. Of vissers met een werphengel. Daarom zie je ook die waarschuwingsbordjes, als visplekken in de buurt van masten zijn."

Wat er bij zo’n “natte geleiding” met je gebeurt, wordt stap voor stap omschreven op de overigens fenomenale hoogspanningsliefhebberssite hoogspanningsnet.com: 'bij overslag zal een deel van het vermogen via jouw lichaam een kortere weg naar de aarde vinden. Water wordt direct verhit tot het kookpunt. Zenuwen verdampen, ledematen scheuren open en ontploffen, botten verkolen en versplinteren en kleding vliegt in brand of wordt kapot geblazen.'

De veilige afstand van een mens tot de draad is op vier meter gesteld, daarom is alles dus zo groot en zo lomp.

"Alles waar je nu zelf bij kunt, is in principe veilig om aan te raken. Kijk," Theo wijst de verte in. "Dit is de dubbele lijn van Beverwijk naar Zoetermeer. De tweebaansweg." Met richtingbordjes op de grond wordt aangegeven waar de stroom vandaan komt en naartoe gaat. De dubbele lijn bestaat uit nieuwe masten, die zijn een stuk subtieler dan de oude, waarbij de geleiders nog aan de buitenkant hingen. En de kleur lijkt misschien wel wit, wordt ons verzekerd, maar is een heel specifieke tint grijs.

"Daar is een complete studie aan gewijd," vertelt Annemarie. "Met het idee dat het hier in Nederland meestal niet zulk weer is als nu" - de lucht is inderdaad diepblauw - "maar een heel stuk grijzer. De kleur van de masten heeft exact de kleur van de gemiddelde Nederlandse lucht. Heel erg grijs dus. Daar is een compleet architectenbureau mee bezig geweest."

Hoe verder we het terrein op lopen, hoe harder het rondom ons zoemt en knettert.

Via die masten komt de verbinding met Beverwijk hier het station dus binnen om te worden afgetakt. Aan iedere kant van de mast zitten drie draden. "Alles is een veelvoud van drie in de elektriciteit. Je hoeft niet veel verder te kunnen tellen." De draden komen ook op drie punten binnen. En alle masten gaan dan weer per twee, omdat alles dubbel moet worden uitgevoerd. "Voor als er een helikopter doorheen vliegt bijvoorbeeld, dan schakelt-ie eentje uit, maar dan werkt altijd het andere deel nog."

"Gebeurt dat weleens, een helikopter in de mast?"
"Ja hoor, laatst nog, toen hing er een militaire helikopter in."

De afstandhouders, de varkenskrulletjes en als je goed kijkt ook isolatoren.

Hoe verder we het terrein op lopen, hoe harder het rondom ons zoemt en knettert.

"Tussen de draden zit een afstandhouder, zodat ze door de wind niet tegen elkaar aan kunnen klapperen."

Theo wijst daarna op de isolatoren, die zijn van kunststof. Per schaaltje moet de spanning afbouwen. Je kunt best een paar van die schaaltjes missen. Vroeger waren ze van glas en daarvoor van porselein. Daar ontplofte er nog weleens eentje van en dan moet je niet in de buurt staan.

"Ook niet met je helm?"

"Zeker niet met je helm, dat gaat er dwars doorheen."

Naast die isolatoren zit bescherming voor vogels, zodat die de kabels zien hangen. "Krulstaartjes, of varkenskrulletjes, zie je? Dan vliegen ze hun kop er niet vanaf."

"Doen ze dat vaak?"
"Ja zeker, door die varkenskrulletjes nu een heel stuk minder maar onder de masten liggen altijd wel dooie vogels. Je kunt ze niet allemaal redden."

"En wat gebeurt er dan met al die hoofdjes en lijfjes?"
"Die worden opgehaald door een bedrijf dat daar weer in gespecialiseerd is. Ieder z’n vak hè?"

Onder de varkenskrulletjes zit een andere vogelbeschermer, een soort flappen. "Voor de kleine zwaan," vertelt Annemiek, "want sommige vogels hebben weer andere bescherming nodig. Lepelaars zijn bijvoorbeeld te traag om snel op te trekken."

"Net als zwanen. En als ze die flappen zien kunnen ze even in een ander versnelling opstijgen."

"Dus ondanks dat elektromagnetische veld zitten er toch nog best wat beesten in de buurt!"

"O ja buiten de hekken wel ja! Vleermuizen ook! En op andere locaties is de rugstreeppad er weer."

"En konijnen en hazen! Als het jachtseizoen wordt geopend zitten al die hazen langs het hek op een rij naar binnen te loeren."

Isolatoren

"Staat-ie aan Lenni?" Lenni is de bedrijfshulpverlener (BHV’er), die met ons meeloopt om te zorgen dat we geen domme dingen doen. Om te zorgen dat we niet doodgaan. Lenni werkt "al jaren in de spanning".

En met aanstaan bedoelt Theo 411, een van de drie transformatoren.

De deur wordt ontgrendeld en binnen in 411 klinkt een vreselijk gebrom. In het midden staat een enorme stalen bak, en verder niets. Het gebouw is dan ook alleen maar om die stalen bak heen gebouwd om het geluid ervan tegen te houden. De plafonds zijn ingespoten met een dikke laag brandwerend middel.

"Dit is de honderd hertz, die je hoort. In die bak zit olie, voor isolatie. En daar zitten weer spoelen in."

Deze transformator waar we nu naast staan, staan in het klein dus ook in iedere wijk - die monumentale bakstenen jaren dertig-huisjes of juist die vierkante betonnen bakken vol graffiti. Ook daar zit olie in, met eronder een opvangbak voor het geval dat gaat lekken. Die wijkhuisjes maken een stuk minder herrie dan deze grote transformator, maar als je je oor er tegenaan legt hoor je hem volgens Theo ook brommen.

Achter de transformator staat een reusachtige koeler om alle warmte weg te krijgen; als hij te warm wordt schakelt hij de transformator uit. De verbinding met de openlucht van de koeler werkt met een soort vochtvreters. "Vroeger waren dat nog die kristallen, zoals die zakjes die in je nieuwe schoenen zitten. Nu gaat dat elektronisch, met een elementje. Zodat je geen korrels meer hoeft te vervangen." Alles is zo ongeveer uitgevoerd in Cortenstaal, in verschillende tinten grijs en zwart. "Want de gemeente heeft een stadsarchitect."

Aan de achterkant van het terrein, waar de kabel de bodem in duikt, staat een grote camerapiramide van BouWatch.

"Er wordt weleens ingebroken ja. Om koper te stelen bijvoorbeeld."

Niet echt een veilige plek om koper te gaan knippen, meent Jan.

"Nee hahahaha. Loop maar even mee, hij staat nu toch uit." We passeren rood-witte linten, waarvan in de test die we voor toelating moesten afleggen benadrukt werd dat daarachter levensgevaarlijke situaties heersten. "Werken met hoogspanning is een heel boekwerk regels, als je ’s avonds nog naar huis wilt."

"Ja, het is hier allemaal hartstikke veilig hoor. Tot er iets fout gaat. Maar dan gaat het ook goed fout." "Hoe fout?" Daar moet je je dus wel een voorstelling bij kunnen maken vindt Theo, als je hier werkt. Namelijk zo fout als een HSL-trein die tegen een viaduct klapt.

Behoorlijk grote stukken van het terrein staan nog leeg. Dat is volgens Theo voor het jaar 2023. "Dan komen er windparken op zee en die moeten hier mogelijk ergens op het net."

We nemen de route binnendoor, door de schakelruimte. Aan de muur hangt een bord met tientallen gekleurde hangsloten. "Ouderwets handwerk, want dat werkt altijd." Het zijn unieke sloten, vertelt Annemarie. "Als je aan het werk bent, dan sluit je bijvoorbeeld de paarse schakelaar af, zodat die niet aangezet kan worden."

"Hoe gaat dat aanzetten eigenlijk?"

"Gewoon met een knop," volgens Theo. "Als alle mensen van het terrein af zijn bel je Arnhem op en dan zeg je: zet maar aan. In Arnhem drukt iemand dan op een knop en dan hoor je BOEM. Dat is de schakelaar."

"En wat zit hierin?" We staan voor de grijze kasten waar de schakelruimte vol mee staat - op een tafel vol multomappen na ook het enige in de ruimte.

"Allemaal draadjes." Theo doet een van de deuren open. "Om te kunnen bedienen. En meten."

"Ok." Allemaal draadjes inderdaad.

Na de schakelruimte dalen we af in de kabelkelders, waar de kabels van bovenaf de grond in duiken. "Kan dat denk je, Lenni?" vraagt Theo met zijn hand al op de deurklink.

Lenni de BHV’er vindt dat het kan.

"Ja, het is hier allemaal hartstikke veilig hoor. Tot er iets fout gaat. Maar dan gaat het ook goed fout."

"Hoe fout?"

Daar moet je je dus wel een voorstelling bij kunnen maken vindt Theo, als je hier werkt. Namelijk zo fout als een HSL-trein die tegen een viaduct klapt. "Zulke krachten komen er dan vrij. Als er een complete sluiting ontstaat, ja, dat wordt een complete ravage. Daarom is het allemaal ook zo lomp en zwaar. Zodat het niet omvalt. Als hier een sluiting is, zijn wij allemaal dood. Daar moet je je wel van bewust zijn, wil je hier werken. Je moet er niet van wakker gaan liggen, maar je moet het wel serieus nemen, het gevaar hier. Daarom komt er nooit iemand in, vanwege dat gevaar. Jullie zijn echt bevoorrecht."

In de kabelkelders begint of eindigt het allemaal, afhankelijk hoe je het bekijkt. "Dat zijn stugge kabels hoor, ziet die maar eens in de gleuf te krijgen." Die mannen die dat voor elkaar hebben gekregen hoeven volgens onze gidsen niet meer naar de sportschool. "Wat ze vervolgens dan toch doen."

Wat buiten staat, staat hier ook binnen in de kelder. Met een lagere spanning (150 kV) dus alles is een slag kleiner.

"Deze schakelaars zijn gasgeïsoleerd. Lucht kun je niet kwijt, dan zou de ruimte veel groter moeten zijn. Het is SF6-gas; zwavelfluor…." begint Theo

"Nee, zwavelhexafluoride," aldus Lenni.

"Is dat vervelend gas?" vraagt Jan.

"Zeker," knikt iedereen.

Het is zwaarder dan lucht, dus als het lekt zakt het naar beneden. Ben je beneden aan het werk, dan stik je. "Als die drukmeters rood uitslaan moet je heel gauw wat doen, namelijk naar buiten rennen."

Ieder compartiment van de tank is gevuld met gas. Die zijn gescheiden door ringen, want bij elkaar is het al gauw een paar duizend liter gas. Het is verdeeld in compartimenten zodat het niet in een keer naar buiten lekt.

"Dit is het veld richting transormator 411." Theo klopt de tank op de schoft. "Die komt hier binnen. Zoals we net al zeiden, op een transformatorstation gaat alles van hoog naar laag. Na een elektriciteitscentrale wordt het opgewerkt naar zo hoog mogelijk, en dit is alweer een stuk lagere spanning."

Ik vraag of ik misschien ook een keer bij een elektriciteitscentrale mag gaan kijken, om het hele traject te kunnen zien, maar daar hoef ik me volgens Theo niet al te veel bij voor te stellen.

"Die gebouwen zijn toch juist altijd zo groot en indrukwekkend?"

"Nee hoor. Ja, het gebouw eromheen misschien. Maar daarbinnen staat gewoon een kast. En in die kast zit een generator. Daar word je eigenlijk gewoon een beetje triest van. Ik wel in ieder geval."