Dieren die naar de stad verhuizen maken een supersnelle micro-evolutie door

FYI.

This story is over 5 years old.

Dieren die naar de stad verhuizen maken een supersnelle micro-evolutie door

In minder dan tien jaar kunnen hun genen al veranderen om zich optimaal aan te passen aan de stadse omgeving.

Een paar jaar geleden ben ik van het rustige, Brabantse platteland naar de stad verhuisd. De overgang naar een nieuwe omgeving van beton, glas en metaal vroeg om wat aanpassingsvermogen. Zo werd ik om de haverklap bijna aangereden door een fietser, leken kroegen nooit te sluiten, en snappen toeristen nog steeds het concept 'fietsbel' niet. Eén grote chaos, waar ik als provinciaaltje totaal niet op voorbereid was.

Advertentie

Nu, zo'n vier jaar later, ben ik helemaal aangepast aan mijn nieuwe omgeving. Je zou het als een soort gedragsmatige mini-evolutie kunnen zien, al is er genetisch dan niets veranderd. Voor dieren blijkt dat een heel ander verhaal te zijn: Darwin's evolutietheorie mag dan duizenden jaren bestrijken, veel stadsdieren blijken toch in korte tijd een heuse mini-evolutie te ondergaan.

Een goed voorbeeld hiervan zijn de Amsterdamse stadsduiven: hun veren zijn donkerder van kleur dan die van hun familie op het platteland, vertelt Menno Schilthuizen, professor evolutiebiologie verbonden aan de Universiteit Leiden en Naturalis. Dit komt doordat stadsduiven meer melanine in hun bloed hebben. Deze stof voorziet hun veren niet alleen van een mooi kleurtje, maar is ook nodig om de zware metalen (die de stad vervuilen) in hun bloed te kunnen binden. Dit werkt dus als een soort detox-mechanisme en zo hebben donkere duiven een voordeel vergeleken met hun familie met lichte veren op het platteland.

Dit mechanisme is beter bekend als 'natuurlijke selectie'. Door willekeurige veranderingen in het DNA kunnen er nieuwe diersoorten ontstaan. Zo'n verandering kan een voordeel opleveren ten opzichte van de rest van de populatie, bijvoorbeeld als ze hierdoor een grotere kans hebben om te overleven of om te paren. De kans is dan groot dat die gunstige aanpassing wordt doorgegeven aan de volgende generatie, waardoor zij er ook van profiteren.

Advertentie

"Dieren die in de stad leven moet tegen reuring en onrust kunnen", aldus Geert Timmermans, een van de stadsecologen van Amsterdam, "en ze moeten een beetje opportunistisch van aard zijn."

Ook bij andere vogels dichtbij huis zijn tekenen van micro-evolutie terug te vinden. "De snavels van merels zijn scherper dan van die in het bos," zegt Timmermans. "Deze gebruiken ze nu om voedsel tussen bijvoorbeeld stenen uit te wroeten." Ook is de zang van de mannelijke merel in de stad veranderd: de liedjes die de stadse merels fluiten zijn korter en hoger dan in het bos. Dit komt door al het lawaai in de stad dat ze moeten overstemmen en omdat hun territorium daar kleiner is. Hun genetische verschillen zijn zelfs zo groot dat de merels uit de verschillende leefomgevingen niet meer met elkaar paren.

Ook nachtvlinders hebben manieren moeten vinden om te overleven in hun stedelijke leefgebied. "Deze nachtvlinders hebben zich overduidelijk aangepast aan de lichtvervuiling in de stad," vertelt Schilthuizen. Zij gaan niet meer af op kunstmatig licht, zoals straatlantaarns en andere lichtbronnen, blijkt uit onderzoek. Daarmee zijn zij in het voordeel vergeleken met nachtvlinders die dat wel doen, want in het licht ben je goed zichtbaar voor roofdieren.

Een aantal dieren trokken niet zelf naar de stad, maar de stad kwam naar hen. "Een goed voorbeeld zijn de witvoetmuizen in New York," vertelt Schilthuizen. "De muizen zijn in de bossen en parken blijven wonen, terwijl de stad er omheen spoelde." Door verstedelijking werden zij gescheiden van de muizen in natuurlijke gebieden. Dit fenomeen heet isolatie: dan zijn populaties fysiek of geografisch te ver van elkaar verwijderd om te paren en kunnen zij dus geen genen uitwisselen. "Je ziet zelfs al verschillen in de genen van de muizen tussen de verschillende parken," licht Schilthuizen toe. Per park is er namelijk verschillend voedsel beschikbaar, waardoor de muizen verschillende enzymen aanmaken om hun voedsel te verwerken.

"Hoe snel zo'n evolutionaire verandering plaats kan vinden, hangt van drie dingen af," legt Schilthuizen uit. "Dit wordt bepaald door de generatietijd (de tijd vanaf de geboorte totdat er nieuwe nakomelingen zijn), de sterkte van de natuurlijke selectie en de populatiegrootte." Hoe korter de generatietijd en hoe kleiner de populatie, hoe sneller een genetische aanpassing doorgegeven wordt. Volgens Schilthuizen zijn er in onderzoeken zelfs evolutionaire veranderingen in minder dan tien jaar gemeten.

Dit soort snelle veranderingen zijn vooral bij soorten met een kortere generatietijd te vinden, zoals insecten. "Denk bijvoorbeeld aan insecten die tegengif kunnen maken," vertelt Schilthuizen. Bij soorten die een langere generatietijd hebben, zoals zoogdieren, zijn veranderingen niet zo snel te monitoren.

Als dieren de stad beu zijn en weer terug willen naar de wilde natuur zal dit in de meeste gevallen niet voor problemen zorgen. Pas wanneer ze al generaties lang niet meer zijn teruggegaan naar het platteland kunnen er problemen ontstaan, bijvoorbeeld wanneer ze geen nakomelingen meer kunnen maken met hun soortgenoten daar.

In mijn geval zal dat allemaal wel meevallen: ik heb alleen mijn gedrag aangepast en mijn kinderen zullen later niet zomaar stadse genen krijgen. Of ik ze wel of geen Brabants accent aanleer is nog de vraag, want een zachte g boven de rivieren heeft ook wel weer z'n charme.