Dodelijk domme muziek

De opkomst en ondergang van Servische turbofolk.

|
nov. 24 2011, 12:00am


Goga, nakomelingssterretje van de turbofolk, treedt in een nachtclub op voor de criminele elite van Belgrado. Foto door Ana Kraš.

Weet je nog hoe in de vroege jaren negentig normale mensen opeens naar country gingen luisteren? In Joegoslavië eindigde die hype niet zo mooi. In plaats van rustig weg te ebben en plaats te maken voor rap of La Bouche werd hun land verscheurd door ‘de stem van het volk’. Dat leidde tot onpeilbaar muzikaal geweld dat je oogballen permanent kan traumatiseren als je een keer om drie uur ‘s nachts besluit om ze te zoeken op YouTube.

 Na de bevrijding van Joegoslavië aan het einde van de Tweede Wereldoorlog begon Tito met een beleid van overhaaste modernisering. Dat doen communisten wel vaker, maar het was ook deels pure noodzaak. De Balkan is al sinds de Romeinse tijd de achtergebleven dode hoek van West-Europa. Het land bevat delen die zelfs halverwege de twintigste eeuw nog nooit gehoord hadden van maandverband. Maar een andere reden achter de modernisering was dat er een sterk gevoel van nationale trots gekweekt moest worden om aan de buitenwereld te kunnen laten zien dat de socialistische Joegoslaviërs niet zomaar een stel boerenpummels waren met onuitspreekbare namen (en benen waar menstruatiebloed langs sijpelde).

Met dit doel in gedachten besloot het centrale comité van Joegoslavië om de millennia oude Balkantraditie van folkmuziek te zuiveren van alle verwijzingen naar alcoholgebruik, neuken in de bosjes en specifieke etnische kenmerken. Ze presenteerden het smakeloze resultaat onder de al even smakeloze naam ‘nieuw gecomponeerde folkmuziek’. Vooral de geforceerde etnische neutraliteit was belangrijk voor Tito, aangezien de deellanden van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië de historische neiging hadden om elkaar uit te moorden op afgrijselijke en ambitieuze wijze. Denk bijvoorbeeld aan het feit dat ze net uit een oorlog kwamen waar het Kroatische Ustaše-regime zulke misselijkmakende wandaden had begaan tegen de Serven dat de nazi’s ze vertelden dat ze even moesten dimmen. Niemand wilde een of ander drankliedje horen die omwille van een dansje al die wonden weer open zou rijten.

Tito stierf in 1980 en de scheuren in zijn beschaafde multi-etnische Joegoslavië begonnen zich toen al snel te vertonen. In 1983 versloeg een in Bosnië geboren zangeres genaamd Lepa Brena de door de staat gesteunde muziekgroepen in de strijd om de nationale inzending voor het Eurovisie Songfestival. Haar inzending was een folkliedje over neuken in de bosjes met een of andere jongen en het maakte haar in een klap de grootste ster van Joegoslavië.

Brena’s populariteit explodeerde in de wegrestaurants en kafana’s langs de grote snelwegen van Servië (een kafana is een soort bar, maar dan grimmiger). Daar had de oude folkmuziek vol seksuele referenties een hoop fans gekregen, ondanks alle ontmoedigende pogingen van de staat. Brena’s muziek schetste een onguur beeld van de achterlijke plattelandsmentaliteit in de SFRJ; een beeld dat recht tegen de partijpropaganda inging. Ambtenaren die probeerden om de Olympische Winterspelen van ‘84 voor hun land binnen te slepen haalden hun neus snuivend op voor onflatteuze deuntjes als ‘Evo Moga Delije’ (‘Hier Is Mijn Held’). In de video daarvan is Brena’s man te bewonderen als een Joegoslavische Sjonnie met een bierbuik die haar kookkunsten afsnauwt om vervolgens in coma te vallen terwijl hij een fles brandy in z’n armen wiegt. Haar volgende hit ‘Nema leka apoteka’ (‘Apotheek Zonder Genezing’) suggereert dat de Joegoslavische tandartsenbusiness wordt gerund door incompetente klungels, en als een patiënt verdoofd moet worden dan krijgt hij geen prik, maar laat de mondhygiëniste even haar blote tieten zien. Dit raakte precies de juiste snaar bij het Balkanese volk.

Binnen een jaar gaf Brena optredens in goed gevulde stadions en werd de kafanascene langs de M22 overspoeld met imitators. Omdat ze nog steeds niet gedraaid werden op radio en tv (die beiden werden gecontroleerd door de staat), zochten de meeste opkomende popfolkzangers steun bij hun enige fans met geld: de Servische maffia.

Het bleek bijzonder handig te zijn om in de late jaren tachtig een Servische gangster als manager te hebben. In 1988 bedreigden massaprotesten in Oost-Joegoslavië de toch al niet zo populaire socialistische staat, wat ertoe leidde dat Slobodan Milošević een einde maakte aan het taboe op nationaliteit, waar de partij zich zo krampachtig aan vasthield. Hij wierp zichzelf publiekelijk op als de strijder voor Servische rechten en ontstak daarmee een lang opgekropte uitbarsting van etnische trots door de gehele SFRJ. Binnen de kortste keren haatte iedereen elkaar weer net zo erg als vroeger. Middenin deze rotzooi bracht Brena twee patriottistische platen uit waarmee ze de schuimbekkende massa’s volledig in haar ban had: ‘Živela Jugoslavija’ (‘Lang Leve Joegoslavië’) en ‘Jugoslovenka’ (‘Joegoslavisch Meisje’). In de video van dat laatste nummer worden reisbureau-achtige beelden van prachtige ommuurde steden en kastelen langs de Kroatische kust versneden met beelden van opgehitste jongeren die door Belgrado marcheren met de Joegoslavische federale vlag. Die vlag wapperde twee jaar later op de ruggen van Servische tanks die diezelfde monumenten aan puin kwamen schieten.

Een Hitkrant-achtige foto van Ceca die Arkans Tijgers bezoekt. Arkans Tijgers werden door de VN beschuldigd van standrechtelijke executies, massaverkrachtingen, plunderingen en genocide in het door Servië bezette gebied van Bosnië.
Ceca rond 1993, hetzelfde jaar dat het Bosnisch-Servische leger Srebrenica omsingelde voor een aanval die zou resulteren in de slachting van 8.000 islamitische Bosniërs.
 

Toen het onderscheid tussen overheid en maffia volledig uitgewist was en alle intellectuelen het land uit waren gevlucht, besloten de criminelen hun geld te pompen in hun favoriete muziek. Popfolk veranderde van ludieke liedjes over overspelige echtgenoten in ‘turbofolk’: een doorgesnoven mix van synthesizers, trompetten en het verheerlijken van seks, geld, borstvergrotingen, merknamengedweep en ongekend nieuwe hoogten van banaliteit.



“Turbofolk werd voor het eerst gepromoot in een programma dat Šoder lista heet,” beweert de Servische songwriter Sandra Rančić. “Het was een satirisch muzieklijstjesprogramma dat prullerige video’s uitzond met bijvoorbeeld beelden van een dorp waar overal schapen en kippen rondrenden of waarin een halfnaakte zangeres een microfoon betastte. Dat programma speelde dus een belangrijke rol in de opmars van de turbofolkcultuur, al weet ik vrij zeker dat het niet de bedoeling was van de makers. Zij probeerden het juist belachelijk te maken, maar dat plan pakte anders uit.

Deze muzikale mongolenmarathon zou op zichzelf nog niet zo erg zijn als het niet ook de soundtrack was geweest van een aantal van de ergste oorlogsmisdaden aan deze kant van Afrika. Veel leden van de Servische criminele elite runden ook paramilitaire groepjes met kleurrijke namen zoals de Witte Adelaars, Ravna Gora Četniks en Arkans Tijgers. Die laatste is vernoemd naar Željko ‘Arkan’ Ražnatović, een internationaal gezochte bankrover. Hij steunde zijn Servische moederland door Belgrado’s kluitje voetbalhooligans om te toveren tot zijn eigen privélegertje, waarmee hij op een vier jaar durende vernielingstocht door Bosnië en Kroatië ging. Bij wijze van toegift begon hij daarna het grootste turbofolkagentschap van Servië.


Lepa Brena trouwde met een Servische tennisprof en vluchtte het land uit voordat haar liedjes het onofficiële lijflied zouden worden van verkrachtende boerenpummels. Maar ze bleef een belangrijke invloed voor de volgende generatie turbofolkzangers, vooral voor Ceca, een tiener uit het zuiden van Servië.

Van Brena leerde Ceca de Dolly Parton-achtige seksknipogen, die ze vervolgens doorvertaalde naar Kim Holland-waardig terrein. Vroege hits zoals ‘Cvetak zanovetak’ (‘De Hunkerende Bloem’) en ‘Želim te u mladosti’ (‘Ik Wil Je Nu Ik Nog Jong Ben’) laten nog een kiertje open voor een zedige interpretatie, maar die worden vervolgens aan gort geschoten door de video’s die ze erbij heeft gemaakt. Turbofolk steunde altijd impliciet de Servische zaak, maar Ceca gooide alles open en bloot en maakte het 100% expliciet. Ze reisde zelfs af naar Bosnië om daar met haar liedjes het moraal op te krikken van de paramilitaire troepen aan de frontlinie. Tijdens een van deze reisjes trad ze op voor Arkans Tijgers, waar ze verliefd werd op Arkan zelf, een getrouwde veertigjarige oorlogscrimineel met zeven kinderen. In 1995 volgde er een bruiloft, die door de Joegoslavische roddelpers werd beschreven als een Servisch sprookje.

In de Servische cultuur staat subtiliteit niet bepaald hoog in het vaandel, maar de bruiloft van Arkan en Ceca zag eruit alsof het georganiseerd was door een achtjarig meisje op een streng dieet van stroperig sterke koffie en suikerspinnen. Terwijl Arkan zich een weg baande langs een verscheidenheid aan machinegeweren in een cartoonesk officiersuniform uit de Eerste Wereldoorlog, versleet zijn bruid maar liefst vier jurken tijdens de ceremonie. En dit alles natuurlijk nadat ze beiden gekroond waren door de patriarch van de Servisch-orthodoxe kerk.

De bruiloft werd uitgezonden op de staatstelevisie, waarmee Ceca’s status als de nieuwe koningin van de Joegoslavische muziek verzegeld werd. Veel letterlijker kon het huwelijk tussen turbofolk en de maffia niet worden. In datzelfde jaar begon ook Pink TV. Hun oorspronkelijke programmering bestond uit turbofolkvideo’s en illegale kopieën van Amerikaanse actiefilms. In de gehele Balkan ontsproten satellietstations die de verschillende soorten regionale muziek uit de weg elleboogde met een onophoudelijke stroom turbofolk.

Het land ging gebukt onder zware internationale sancties, Milošević bracht alle binnenlandse discussie terug tot via de staatstelevisie gecommuniceerde leugens en Pink TV spuwde haar hersenslurpende entertainment uit. Servië belandde in een surrealistische nationale hallucinatie. Soldaten die terugkeerden van het Bosnische platteland troffen een wetteloos thuisland aan. Praktijken waar vroeger nog om gefronst werd, zoals wapensmokkel, enorme borstimplantaten en neuken met oude mannen voor geld, werden opeens gezien als volkomen begrijpelijke dingen.


Arkan en Ceca op de gelukkigste dag van hun leven—en dat van vele Servische nationalisten/turbofolkfans. Foto van AP.

In Belgrado bloeide Ceca’s carrière op en turbofolk ging een tijdperk van ongeëvenaarde decadentie in. De muziek werd dansbaarder, agressiever en op de een of andere manier zelfs nog oppervlakkiger. Er kwamen liedjes uit als Jelena Karleuša’s ‘Gili gili’ (‘Kietel kietel’), waarin de zangeres zonder enige ambiguïteit zingt over hoeveel zin ze heeft in seks, en Viki Miljković’s ‘Koca Kola Marlboro Suzuki’, wat letterlijk gewoon een lijst merknamen is. Ook al kwam turbofolk oorspronkelijk van het platteland en versterkte het soms onbedoeld het beeld van Servische achterlijkheid (ik bedoel, Suzuki?), toch associeerde de muziek zich met de levensstijl van rijke maffiosi die de steden in hun greep hadden. En bij gebrek aan een alternatief werd het de belangrijkste weg naar glamour en succes in het Belgrado van Milošević. Het hele land leek beland te zijn in een griezelig alternatief universum waar alle autoriteitsbekleders cartooneske hondmannen waren, en alle vrouwen hebberige hoeren. Waar een monster zoals Arkan een tweederangs voetbalteam kan kopen en het naar de eerste divisie kan duwen door te dreigen om de leden van de rivaliserende teams te vermoorden (wat echt gebeurde).

Deze poppenkast bereikte z’n hoogtepunt toen de NAVO in 1990 Belgrado bombardeerde en sterren zoals Ceca door Milošević gevraagd werden om op de pleinen in de stad gratis ‘Fuck You Clinton’-concerten te organiseren—volgens Milošević om te laten zien dat Servië niet bang was voor Westerse raketten, maar in werkelijkheid gewoon om een menselijk schild te creëren in de binnenstad. Een jaar later werd Arkan geliquideerd en Milošević de regering uitgeschopt; het gouden tijdperk van de turbofolk was voorbij. Ceca ging traditiegetrouw een jaar in de rouw voor haar omgekomen echtgenoot en president Zoran Đinđić verklaarde de oorlog aan de Servische maffia. Daar werd hij natuurlijk voor vermoord, maar de aftakeling van de turbofolkcultuur en de bandeloze criminaliteit die de industrie financierde was inmiddels al in gang gezet.

De nagel in de kist van de turbofolk kwam in 2003, toen Ceca gearresteerd werd voor witwaspraktijken met Arkans oude voetbalteam, en omdat ze een krat geweren in haar kelder had verstopt. (De agent die de inval leidde was trouwens de vader van Ceca’s oude rivaal Jelena. Hoe lullig is dat?)

Er is nog steeds een handjevol mensen dat zichzelf turbofolkster noemt en vecht om Ceca’s troon. Goga Sekulić en Maya Marijana bijvoorbeeld. Maar ondanks de dapperste pogingen om het genre weer nieuw leven in te blazen met liedjes als ‘Seksi Businessman’ en ‘Panties’ ligt het lijk van de turbofolk te beschimmelen in een graf. Wat we kunnen leren van de Servische geschiedenis: van domme muziek ga je dood.

Als je wilt weten wat er tegenwoordig gebeurt in de turbofolkwereld—ondanks het feit dat we je net verteld hebben dat het dood is—bekijk dan The Vice Guide to the Balkans binnenkort op VICE.com.

 

Meer VICE
VICE-kanalen