FYI.

This story is over 5 years old.

Festivals

Ik vroeg de Duitsers op Nachtdigital of ze niet gek worden van al die Nederlanders

“Ik houd me niet bezig met dat soort generalisaties. Trouwens, waar zijn je vrienden?”
7.8.13

Het Duitse gehucht Olganitz ligt zo’n zevenhonderd kilometer van Amsterdam af. Dat is dus zeven uur rijden in een stinkende, snikhete, volgepropte auto. Toch legt een hele zooi Nederlanders elk jaar met liefde deze afstand af, voor het kleinschalige knalfestival Nachtdigital. “Het begon met vijf auto’s in 2007,” zegt Steffen Bennemann, medeorganisator van het festival en een van de acts op deze zestiende editie. “Nu komt een derde van de drieduizend bezoekers uit Nederland.” En zo stond ik dus afgelopen weekend, verstopt in de bossen bij Olganitz, tussen duizend landgenoten. Als ik op de eerste middag in het meertje verkoeling zoek, valt het me op hoe luidruchtig die Holländer zijn. Koorwijven die vanuit hun rubberen band naar elkaar krijsen, en hun mannelijke soortgenoten die elkaar met zo veel mogelijk gespetter omver duwen. Als ik even later ga douchen gilt een meisje, type Anne-Fleur: “Teringjezus, die douche is echt niet te doen koud!” Ik schrik, en word me ineens heel bewust van mijn eigen stemgeluid. Hoe kan het dat de Duitsers, die toch net zo hard naar de klote gaan als Nederlanders, dat veel stiller doen? De Duitse festivalgangers zijn zo kalm en ontspannen, dat ik ze haast niet hoor in de Nederlandse kakafonie. Ik vraag me af wat de Duitsers van deze Nederlandse invasie vinden, en of onze aanwezigheid niet pleurisirritant is? De eerste Duitser die ik aanspreek is Ben, die me in de rij voor het bier natspuit met een waterpistool. Hij kijkt verbaasd als ik hem vraag of er niet te veel Nederlanders zijn. “Nee man, de Nederlanders hebben altijd een brede glimlach op hun gezicht. Op de schaal van levensgenieten zitten ze tussen de Duitsers en de Spanjaarden in.” Vervolgens begint hij over die keer dat hij gratis een lap stof had gekregen van een Nederlander, die eigenlijk heel duur was ofzo, maar dat volg ik niet helemaal.

Ergens in de nacht plof ik neer naast Franceska, die sereen naar het meertje zit te staren, terwijl ik achter me een typisch Hollands confettikanon hoor knallen. Franceska vindt mijn vraag belachelijk: “Iemands afkomst is niet bepalend voor zijn gedrag.” En als ik doorvraag of ze de Nederlanders dan niet luid vindt: “Ik houd me niet bezig met dat soort generalisaties. Trouwens, waar zijn je vrienden?” Lucas (“like George Lucas!”), een mollige Duitser met een clownsmuts, lacht me uit en geeft me een dikke knuffel. “We zijn hier allemaal vrienden!” Steffen Bennemann is zelf erg blij met de bezoekers, die uit alle hoeken van Europa komen kijken wat er in Olganitz gebeurt. “Als de Nederlanders wegblijven, zouden we ze oprecht heel erg missen.” Terwijl de zon ondergaat op de tweede avond filosofeer ik met mijn maat Berend Jan, een trouwe bezoeker van Nachtdigital, over de Nederlandse festivalganger. Waarom gaan we zo ver op ontdekkingstocht, is het die VOC-mentaliteit? “Op kleine, verre festivals gelden minder strenge regels. Er is hier een gemoedelijkheid die je in Nederland niet vindt, totale vrijheid binnen je eigen grenzen.” En je doet niet veel moeite om die speciale plek te vinden, om vervolgens je buurman tegen te komen. Als ik op de laatste ochtend van Nachtdigital een barman uit Amsterdam wantrouwend zie kijken naar een groep stoeiende medewerkers van een rivaliserend café, valt het kwartje pas echt: de festivalgangers die de grootste hekel hebben aan Nederlanders, zijn de Nederlanders zelf.