Drugs

Waarom ik een drugsinformant werd voor de politie

De eerste keer dat ik een heroïnedealer erin luisde, was ik bloednerveus.
"
door "Nate"
Michael Goldberg
zoals verteld aan Michael Goldberg
22 november 2017, 4:42pm
foto via Getty Images

De 27-jarige ‘Nate’ (niet zijn echte naam) is al vijf jaar lang informant voor de politie in Philadelphia. Hij helpt ze met het oppakken van heroïnedealers. Hij werkt samen met ‘Bill’, van de drugspolitie, in undercoveracties. Hij koopt drugs en vertelt de agenten over dealers. Sommige van die dealers zullen geen twee keer nadenken om hem neer te knallen als ze erachter komen. Hier is het verhaal van Nate, in zijn eigen woorden.

Ik zat in de auto met een vriend, toen we aangehouden werden omdat hij te snel reed. De agent wilde meteen weten of we wiet bij ons hadden. Mijn vriend verraadde me direct. De agent die ons aanhield was een lul, maar toen was daar ineens Bill. Hij was aardig. De hoeveelheid wiet zou me geen strafblad opleveren – daar was het te weinig voor – maar ik kon wel een boete krijgen voor het bezit van een gebruikershoeveelheid. Bill zei: “Hé, laten we samenwerken,” je weet wel, ik kon informant worden om onder de aanklacht uit te komen. Ik had zoiets van: mwoh. Liever niet.

Ik accepteerde mijn straf en kreeg een proeftijd. Later belde Bill om te vragen of ik langs wilde komen op het bureau. Hij wilde informatie. Hij zei dat de wiet hem niet interesseerde, maar dat hij achter heroïne aan zat. Ik kende gasten die dat verkochten. Hij zag dat ik op Facebook bevriend was met een boel van de gasten die hij in de gaten hield. Hij wist wat er aan de hand was. Hij had iemand nodig die dichtbij die lui kon komen. Ik zei meteen dat ik geen zin had om iemand erbij te naaien die wiet verkocht, maar dat heroïne een ander verhaal was.

Ik haat heroïne. Ik heb er een hoop vrienden aan verloren. Mensen die ik mijn hele leven kende die verslaafd raakten. Ik was een tijdje verslaafd aan opiaten, die ik kreeg voorgeschreven tegen rugpijn. Ik ben er in een keer mee gestopt. Dat was moeilijk. Wiet hielp me enorm met het afkicken. Ik had net zo goed verslaafd kunnen raken aan heroïne, maar gelukkig liep het anders. Vandaar dat ik Bill wilde helpen om iets te doen tegen heroïne.

Ik vertelde Bill dat ik geen vrienden erbij wilde lappen en dat ik geen microfoontje wilde dragen. Iedereen kende me en vertrouwde me, dus ik ging ervan uit dat niemand wantrouwig zou zijn. Ik had een aantal vrienden die verslaafd waren aan heroïne en die vertelden me vaak alles. Uit nieuwsgierigheid vroeg ik wie wat verkocht en wie de grote spelers waren.

De eerste keer dat ik wat ging kopen bij een dealer, was ik nerveus. Maar ik wist dat de dealer een lul was, dus ik probeerde er me niet teveel van aan te trekken. Je moet een bepaalde houding aannemen, want dealers valt het kleinste dingetje op. Ik wist hoe ik me moest gedragen, want ik had al vaker drugs gekocht. De eerste keer ging een stuk soepeler dan ik had verwacht. Ik zat op zijn veranda, we rookten wiet, hij verkocht me de heroïne en ik ging weer weg. Zo gaat het ongeveer. Bill hield me in de gaten, en ik vertrouwde hem. Ik koop het spul, loop weg en blijf lopen tot iemand me oppikt. Daarna is mijn werk gedaan. De politie doet de rest.

Soms is het intens. Ik herinner me een gast: alles was geregeld, de politie stond klaar. Maar ik stond al veertig minuten buiten op hem te wachten, hij was binnen high aan het worden. Ik wist niet wat ik moest doen. Het plan was niet dat ik naar binnen zou gaan. Toen kwam zijn moeder: “Waarom wacht je buiten? Kom erin!” Ik had het eigenlijk niet moeten doen, maar ik ging toch. Komt zijn oom de trap af. Hij had een pistool vast en hij flipt. “Wie is deze gast? Wie is hij?” Hij was compleet van de wereld. Ik dacht: die knalt me neer. Het lukte me om hem te kalmeren en toen kwam die dealer eindelijk zijn kamer uit. Hij stommelde wat rond en gaf me toen de heroïne. Niet eens in een zakje, hij dumpte het gewoon in mijn hand.

Op dat soort momenten gaat je hart tekeer. Maar je kan niks laten merken. Ik probeer te lachen, grapjes te maken, de sfeer erin te houden. Toch kan het ineens misgaan. Een keer had ik een vriend naar iemand toe gestuurd om drugs te kopen. Hij kreeg een pistool tegen zijn hoofd en werd gedwongen om crack te roken, om te bewijzen dat hij geen agent was. Zoiets kan mij ook gebeuren, maar ik ben goed met woorden. Ik zeg alles om ergens uit te komen. Ik probeer geen smoesjes van tevoren te bedenken, want dan komt het bedacht over.

Ik krijg er een adrenalinekick van, en daar ben ik dol op. Je voelt zoveel verschillende emoties, emoties die je niet gewend bent om te voelen. Nervositeit, spanning, het idee dat het elk moment gruwelijk mis kan gaan. Het lijkt een beetje op bungeejumpen.

Ik zie mezelf niet als een verrader. Ik doe iets goeds voor de gemeenschap. Ik doe het niet om onder een aanklacht uit te komen. Ik schuif mijn problemen niet op anderen af. Ik krijg er ook niet voor betaald. Je hebt ook vrijwillige brandweer, toch? Dit is ongeveer hetzelfde. Ik kan geen politieagent worden vanwege m’n strafblad, en bovendien hou ik niet van pistolen. Ook niet van de politie. Bill is de uitzondering. Ik wil gewoon niet dat er heroïne gebruikt wordt in mijn omgeving. Zelfs toen dealers wisten dat ik wilde stoppen met opiaten, kreeg ik sms’jes als ze nieuw spul hadden. Ze bleven proberen, want zodra ik weer zou gaan gebruiken, zou ik een goede klant zijn geweest. Zij zijn de slechteriken. Niet ik.

Mijn vrienden hebben geen idee dat ik dit doe. Als een dealer er goed over na zou denken, heb ik misschien een probleem. Als ik dit blijf doen, komt er misschien een punt dat ik nerveus en paranoïde word, en misschien moet ik er dan mee kappen. Maar ik maak nooit foutjes. Ik ben er zeker van dat ik niemand ooit een reden heb gegeven om me te verdenken. Als het gebeurt, en iemand wil me dood hebben, dan is dat zo. Dat is kut, maar zo is het leven. Ik doe wat ik moet doen. Ik weet wat de risico’s zijn, en ik accepteer ze voor de volle honderd procent. Ik ben niet bang om te sterven.