Verveelde flitsbezorg-klant.
De auteur met zijn aankopen, foto door Djanlissa Pringels
flitsbezorgen

Ik werd dronken, teleurgesteld en nog luier door flitsbezorgdiensten

Overal door de stad fietsen bezorgers zich rot om boodschappen langs te brengen, maar voor een echte luie snob is er maar weinig aan.
Tim Fraanje
Amsterdam, NL
27.7.21

Ik ben een luie snob: vaak dagdroom ik zelfs letterlijk over de aristocratische levensstijl zonder de maatschappelijke verwachtingen die het adeldom met zich meebrengt (en zeg eerlijk: wie doet dat niet?). In mijn Amsterdamse appartementje is geen plek voor personeelsvertrekken, laat staan voor een extra trappenhuis om te voorkomen dat ik mijn butlers en koks de hele tijd tegenkom. Ik heb er trouwens ook geen geld voor (en zeg eerlijk: wie wel?). Snelbezorg-apps zijn wat dat betreft een gamechanger: de bezorgkosten zijn minder dan twee euro en je personeel staat in een magazijn of maakt de straten onveilig op een elektrische fiets. Lekker anoniem, niks noblesse oblige

Sinds afgelopen jaar zijn snelbezorg-apps als Gorillas, Flink, Getir en Zapp opeens een ding in Nederland. Durfkapitalisten van over de hele wereld pompen er miljoenen in; Jumbo wil niet achterblijven en speelt met het idee om een eigen dienst te starten. De belofte is dat je alles wat je nodig hebt binnen tien minuten in huis hebt, uit de handen van een fietskoerier. Dat zou bijvoorbeeld een uitkomst zijn voor mensen die erachter komen dat ze bij het boodschappen doen iets vergeten hebben, maar (volgens de reclame van Zapp) “hun joggingbroek al aan hebben.” 

Niet iedereen is overtuigd. Volkskrant-columnist Julien Althuisius noemde de apps bijvoorbeeld “een overbodig luxeproduct dat luiheid faciliteert en stimuleert.” De bezorgproducten waarmee geadverteerd werd vond hij “levensmiddelen met een hoog stedelijk – borderline snobistisch – gehalte.” Dat klinkt als een aanbeveling, maar er zijn meer bezwaren. Zo worden er in toch al krappe steden gebouwen opgeofferd om als “dark store” te fungeren. Ook zijn de koeriers geen grootverdieners: ze vangen net iets meer dan het minimumloon plus soms commissie en fooien. Daarvoor moeten ze flink werken. In Duitsland zijn sommige Gorillas-koeriers bijvoorbeeld erg ontevreden over hun arbeidsomstandigheden: zo zouden ze rugpijn krijgen van de zware tassen, door sneeuwstormen moeten rijden en door schreeuwende managers onder druk worden gezet om extra snel te fietsen. Dat zal de reden zijn dat de koeriers je continu van het fietspad drukken met die elektrische racemonsters van ze – persoonlijk mijn grootste bezwaar, dat inmiddels ook de aandacht heeft getrokken van de gemeente Amsterdam. De grote vraag blijft natuurlijk: is het gemak dit allemaal waard? Ik testte een week lang de bezorgdiensten uit om erachter te komen. 

Op maandag moet ik nog een klein moreel drempeltje over. Ik moet werken, vanuit huis, en als lunchtijd nadert aarzel ik om mijn telefoon te pakken en wat te laten bezorgen. Zal ik niet toch gewoon even naar de bakker lopen? Uiteindelijk twijfel ik zo lang dat ik van de honger niet meer van mijn stoel kan komen en maling heb aan ethiek. Zoals Bertolt Brecht al zei: erst das Fressen, dann die Moral. Als ik vervolgens mijn drie apps open om Fressen aan te laten rukken, blijkt het veel langer te duren dan de 10 minuten waarmee geadverteerd wordt. Flink kan het in 14 minuten, Getir in 16 en Gorillas doet er maar liefst 22 minuten over. Mijn huis bevindt zich vrij diep in Amsterdam-West (maar binnen de ring), en hier zit ik dus blijkbaar minstens anderhalf keer langer met honger dan de geluksvogels aan de grachtengordel. Toch kies ik voor Gorillas, omdat ik zo gauw even geen fatsoenlijk brood kan vinden op de andere apps.

Het is wonderlijk wat de mogelijkheid van flitsbezorgen met je besef van tijd doet. Terwijl de koerier zwetend op zijn fiets zit, zou ik misschien wat e-mails kunnen sturen of wat kunnen tikken. Dat lukt niet goed, omdat ik eerder had moeten lunchen. Nu sta ik met mijn neus tegen het raam gedrukt te smachten naar voer en me tegelijkertijd schuldig te voelen over mijn gebrek aan efficiëntie. Terwijl ik zo uit het raam sta te staren is er inmiddels veel meer dan de beloofde 22 minuten verstreken. Pas na 41 minuten komt er een vriendelijke man van een jaar of veertig excuses roepend de trap opgerend. “It’s very busy!” zegt hij. Het brood is ongewenst ongesneden (dat zou je bij de bakker nooit overkomen).

Advertentie

Die avond krijg ik bezoek waar ik voor ga koken: aubergine met zwartebonensaus en szechuanpepers. Omdat ik niet meer durf te vertrouwen op de flitsbezorgers, doe ik ouderwets boodschappen bij de groenteboer om de hoek. Binnen een kwartier ben ik weer terug. Maar als ik even later de borrelende aubergine-stoof proef, blijkt dat die op zich nog wel wat umami kan gebruiken. En helaas: ik heb geen ve-tsin in huis. Het lijkt me een typisch flitsbezorgmomentje, maar de smaakversterker die in de Chinese keuken net zo normaal is als zout, blijkt op geen enkele van de vier apps die ik inmiddels heb gedownload (ook Zapp) verkrijgbaar. Als mijn geliefde even later teleurgesteld terugkomt van een wijnwinkel die net voor haar neus dichtging, blijk je bovendien nergens een fatsoenlijke oranje natuurwijn te kunnen laten flitsbezorgen. Na het eten gaan we dan maar naar de kroeg, waar ze oranje wijn in overvloed schenken. Hoe efficiënt de techkapitalisten hun bedrijfsmodellen ook inrichten en hoezeer ze hun werknemers ook onderbetalen, uiteindelijk leveren lokale ondernemers sneller, beter en op een gezelligere manier.

Toch hebben flitsbezorg-apps wel enige waarde. Als ik later die week een dagje op kantoor (in het centrum van Amsterdam) werk, laat ik drie bezorgers van verschillende bedrijven tegelijk aanrukken voor lunch. Ze zijn er allemaal ruim binnen een kwartier, en twee van de drie verontschuldigen zich ervoor dat ik de bel niet heb gehoord, omdat die uit staat. Of misschien zeggen ze sorry tegen zichzelf, dat ze hun tijd verdoen bij mensen die hun bel uit hebben staan. Als ik aan een bezorger vraag hoe hij zijn werk vindt, antwoordt hij opgewekt: “Lekker weer, lekker fietsen. We moeten allemaal ons brood verdienen.” 

Advertentie

De Zapp-bezorger is alleen gekomen om me een pakje sterretjes (à 1,69 euro) te bezorgen. Die steken we aan tijdens een feestelijke lunch met onder andere brie, stokbrood, avocado en twee soorten mayo (vegan wasabi en truffel). “Het leukste moment van de dag,” zegt een van mijn collegae zonder veel geestdrift. Een andere klaagt erover dat hij veel moest kauwen op het brood. 

Later die middag zouden de sterretjes goed van pas zijn gekomen, omdat we een socialmedia-mijlpaal te vieren hebben. Maar helaas: ze liggen niet op de hoek van de tafel waar ze zouden moeten liggen. “Hé, ze liggen onder de tafel,” zegt mijn collega een kwartiertje later, maar dan heb ik alweer nieuwe besteld (met een flesje bubbels erbij). We lachen. Later die avond loopt de sympathieke drankwinkel aan de overkant van de straat wat omzet mis, doordat we voor elke nieuwe fles wijn een nieuwe bezorger laten aanrukken. Dat dit kan, geeft een pervers gevoel van macht dat helpt tegen de doffe verveling van het kantoorleven. Helaas duurt het gevoel nóg minder lang dan het laten bezorgen van een bestelling.  

Terugkijkend op mijn experiment blijkt dat flitsbezorgapps inderdaad luiheid kunnen faciliteren. Flessen wijn en kratten bier tillen was altijd al een vervelende onderneming, en nu het niet meer hoeft, is de drempel nog hoger. Maar de echte luxepoes komt bedrogen uit. Bij het intypen van wat ongebruikelijkere, verfijnde producten geeft Getir steevast suggesties voor pampers (ook als je bijvoorbeeld “mononatriumglutamaat” intypt). Misschien wil het algoritme me vertellen dat ik te gepamperd ben. Het lijkt me echter waarschijnlijker dat dit soort apps veel gebruikt worden door tweeverdieners met kinderen en hoge woonlasten, die zo gebukt gaan onder een burn-out en slaapgebrek dat ze niet zonder spelfouten “pampers” kunnen typen als hun baby zichzelf bevuild heeft – oftewel: mensen die niet lui zijn, maar oprecht geen tijd en energie hebben om even naar de winkel te lopen.

De ene efficiënte werknemer die de efficiëntie van de andere werknemer faciliteert is geen luxe, maar armoe. De écht verwende stedeling keuvelt immers met de wijnboer, laat zich uitgebreid voorlichten over verschillende soorten kazen en flaneert goedgekleed door de winkelstraat.