kerstgedachte

Ik knoopte een dag lang gesprekken aan met vreemden in het OV

Niemand praat ooit met elkaar in de metro of de trein, maar in lijn met de kerstgedachte trotseerde ik het ongemak.
26.12.17

Een van de eerste keren dat ik met het openbaar vervoer door Amsterdam reisde, schold een oude man me uit voor ‘arrogant stoephoertje’. We hadden een paar haltes lang over allerlei geinigheden gekletst, maar toen hij me vertelde dat hij 26 talen sprak moet ik nogal sceptisch hebben gekeken en dat zinde hem niet.

Vanaf dat moment besloot ik me aan de sociale wetten van het OV te houden: vermijd elke vorm van communicatie met andere pendelaars, ook oogcontact. Ga, waar mogelijk, op een plekje alleen zitten en stop muziek in je oren. Staar gedurende de rit zo hard mogelijk naar je schoenen of je telefoon. Zo kom je zonder kleerscheuren uit dit mijnenveld van afgrijselijke zuurheid, uit de helse beproeving genaamd ‘het OV’.

Advertentie

Dagelijks reizen 181.370 passagiers op deze manier met de metro in Amsterdam. Dat zijn per week bijna anderhalf miljoen mensen die elkaar collectief staan (of als ze geluk hebben: zitten) te negeren. Maar nu staat Kerst voor de deur: een periode die bedoeld is om dichter bij elkaar te komen, om opnieuw het goede in de mens te zien – zoals Jezus dat zo goed kon, wiens verjaardag we tenslotte vieren.

Met dat in mijn achterhoofd en een feestelijke trui vol gouden strikjes en pakjes om mijn romp, besloot ik een dag lang in de metro in Amsterdam te spenderen met maar één doel: mijn mede-pendelaars leren kennen. Van Isolatorweg naar Gein, van Centraal Station naar Westwijk, dit zijn de mensen die me niet negeerden.

11:30 uur – Metro 50: Michael, Kees (bijnaam: smeerkees), Michel en hun begeleider

Bij eindhalte Gein, in Amsterdam Zuidoost, stappen vier mannen in, die vrolijk sigaretjes beginnen te rollen. Ik wist dit niet, maar de metro blijft hier altijd een paar minuten staan zodat deze jongens met prikker en vuilniszak het vuilnis kunnen rapen. “We hebben vijf à zes minuten, maar de klus is vaak in twee minuten geklaard. De een doet de krantjes, de ander de bekertjes,” vertelt Michel. Ze vinden vanalles: kinderwagens, fietsen, en ook een keer een heroïnespuit, vertelt Michael. “Gewoon op de bank. Dan pak je het op met een krant, rol je het er goed in en gooi je het in de prullenbak.”

Meestal springen ze tijdig weer uit de metro, maar nu reizen ze mee om met andere collega’s koffie te drinken en te lunchen.

Advertentie

Michel, die zichzelf ‘de mafketel van gvb’ noemt, was ooit zwaar verslaafd aan wiet. Hij werkt, net als de andere jongens, vanuit een instelling en krijgt voor het vuilnis rapen een vergoeding. “We zitten niet graag thuis. Dit werk is soepel, er zijn niet zulke hoge eisen als voor banen bij bedrijven,” vertelt Michel. “Het zou wel leuk zijn om naar een volwaardig betaalde baan door te stromen, maar dat is moeilijker.”

Michael redde ooit een kindje in de metro. “Een jongetje van drie kreeg een hartaanval en lag ineens op de grond. Zijn moeder stond in de hoek te bellen en zag het niet direct. Iedereen stond te kijken, maar niemand deed wat. Ik drukte op de rode knop en toen kwam er direct een ambulance.” Hij maakte tijdens werkuren ook een keer een steekpartij mee. “Je ziet heel veel dingen gebeuren als je veel tijd doorbrengt in de metro.”

12:00 uur – Metro 51: Sereno

Ik ga naast de enige persoon zitten die, net als ik, geen muziek aan het luisteren is. Het is een jongen van zestien met in zijn linkeroor een gouden oorring en in zijn rechter een blingding. Ik zeg hem: “Hé, jij en ik zijn de enigen die geen oortjes in hebben.” Hij kijkt me ongemakkelijk aan. Ik besef dat dit klonk als een slechte openingszin van een vrouw van 28 die probeert te flirten met een jongen van 16. “Mijn oortjes zijn kapot,” zegt hij.

Ik vraag of hij even wil kletsen. “Ik praat in de metro eigenlijk nooit met mensen, maar oké.” Ik vraag hem waar hij heen gaat, wat hij doet in het leven en wat er in zijn plastic tasje zit. Hij kijkt me nog wat verder ongemakkelijk aan. Ik ontdek dat hij voetbalt bij FC Twente Onder Zeventien, in Amsterdam woont maar een gastgezin heeft in Enschede, op weg is naar de fysio voor zijn blessure en een paar sportschoenen bij heeft om te trainen - iets wat hij elke dag doet. Als ik hem vertel over dat ik laatst voor het eerst Ajax zag spelen, reageert hij met: “Ik hou niet van stadions; ik speel liever voetbal dan dat ik het kijk.” Vervolgens staat hij op en verlaat de metro. Ik zweet van ongemak, of eigenlijk van zijn ongemak.

12:30 uur – Metro 54: Cloudia

Het eerste wat me opvalt aan Cloudia is de tattoo in haar nek. “‘Create yourself’ staat er. Ik heb het gevoel dat mensen vaak bang zijn om zichzelf te zijn op hun werkplek. Ik wil dat niet; ik zie mezelf niet in een kantoorbaantje en wil liever door mijn eigen creaties geld verdienen. Mezelf creëren.”

Ik vraag Cloudia – Cloud voor de vrienden – of ik even met haar mag hangen. Dat vindt ze prima. “Dit is Bijlmer toch, als je naar buiten gaat praat iedereen met iedereen.” Cloud is 21, houdt van mannen en vrouwen, is danslerares en doet aan freestyle hiphop. Haar vader was commandant bij het leger en haar moeder ballerina. Eerst werd ze door haar vader gepusht om ook het leger in te gaan. Toen ze dat niks vond, werd ze aangespoord om in haar moeders voetsporen te treden. “Ik vond ballet niks, maar door jazzballet heb ik hiphop ontdekt en dat vind ik heerlijk.”

De Bijlmer is een plek voor kunstenaars, dansers en andere creatievelingen geworden, vertelt ze. “Jongeren hier hebben veel meegemaakt. Ik herinner me zelf nog dat ik elf was en moest rennen om weg te komen van een schietpartij bij een speelplein in Kraaiennest. Bij theatervoorstellingen en rap- of dansbattles zie je al die jongeren samenkomen en dingen delen. Dat is erg mooi.”

Toen ze tien was, kwam Cloud met haar ouders van Curacao naar Nederland. Die omslag in haar jonge leven, samen met een gecompliceerde relatie met haar ouders, vat ze samen in de tattoo van een puntkomma op haar buik. “De punt betekent dat een verhaal eindigde, de komma dat het verhaal toch doorgaat. Ondanks nare dingen die me zijn overkomen, heb ik besloten om door te gaan met mijn leven. Als een vrolijk persoon die met iedereen praat en anderen aan het lachen brengt. Ik wil niemand zien lijden.”

Advertentie

Voor onze wegen scheiden, spreekt ze een paar woorden Papiaments met me, de taal die op Curaçao gesproken wordt, en lacht ze even om het feit dat Nederlanders daar een Albert Heijn hebben neergeplempt. “Locals in Curacao moeten nu betalen om naar hun eigen strand te gaan, wist je dat? Dat is toch absurd!”

12:58 uur – Metro 50: Michel en Roël

Deze mannen, allebei metrobestuurders, komen recht tegenover me zitten en kunnen onmogelijk aan mijn opzichtige oogcontact ontsnappen. Ze zijn allebei op weg naar hun beginhalte. De een woont in Amsterdam-Noord, de ander in West; de een raadt me restaurants aan, de ander vertelt me hoe hij net een trainingsapparaat heeft uitgevonden en geld aan het sparen is om daar patent op te nemen.

Uit hun verhalen over de baan blijkt dat het behoorlijk onmogelijk is om nooit iets omver te rijden. “Heel veel duiven, een pitbull, een konijn, een gans – alle diersoorten wel,” vertelt Roël. Naarmate de haltes verstrijken, komen ook de serieuzere verhalen naar boven. Een paar jaar geleden rond deze tijd sprong iemand voor zijn metro. “Ik liep naar het slachtoffer om hem te reanimeren. Zijn lichaam lag in de sporen, voeten bij het gezicht, het hele gezicht verbrijzeld. Ik liep ervan weg als een zombie en zakte daarna in elkaar. Ik heb lang gedacht: ik heb iemand doodgemaakt! Elk jaar rond deze periode denk ik daar weer aan terug.”

Tegen het einde van de rit vertelde ik Roël over mijn voornemen om in 2018 eens mijn hardloopschoenen onder het stof vandaan te halen. Hij zet zijn nummer in mijn telefoon. “Ik ben personal trainer en woon bij je om de hoek. Kom eens mee hardlopen, wie weet vind je het wat.”

14:02 – Metro 50: groepje vechtende tieners

Enkele tienerjongens stappen in en maken van de lege metro gebruik om hun boksskills op elkaar uit te oefenen. Ze maken weddenschappen over wie wie “het hardst in elkaar kan beuken”. Eén van de jongens probeert zichzelf aan een van de palen in de coupé helemaal omhoog te hijsen. Als ik naar ze toe loop, snellen ze weg.

15:30 uur – Metro 53: twee Koreaanse studenten

Hoe voller de metro’s worden, hoe minder mensen willen praten, lijkt het wel. Alsof hun persoonlijke ruimte al genoeg verstoord wordt door sjaals en armen en benen en de kantooradem van anderen. Veel varianten op dit gesprek komen voor:

Ik (hangend aan paal): “Hé, wat voor taal spreken jullie daar?”
Twee studenten (zittend, tegenover me): “Koreaans”
Ik: “Ha, leuk, studeren jullie hier?”
Student 1: “Ja.”
Student 2: (kijkt weg)
Ik: Wat?
Student 1: “Economie” (kijkt nu ook weg)
Ik ga naast ze zitten: “Waarom koos je voor Amsterdam?”
Stilte

17:00 uur – Metro 53: Qasim

Qasim (31) lacht omdat ik lach om een wintersportfilmpje op mijn telefoon. “Ik ben nog nooit op wintersport geweest, maar kan wel goed schaatsen,” vertelt hij. Zestien jaar geleden vluchtte hij met zijn gezin van Afghanistan via India naar Nederland. “Afghanistan was geen veilige plek om te leven. Er was geen tijd voor andere hobby’s dan verstoppertje spelen en survivallen, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik kan me dat allemaal nog glashelder herinneren, maar probeer het wel als verleden tijd te zien.” Afghanen vluchtten in die tijd naar Amerika, België, Duitsland, Engeland. “Elke plek die veilig was, was goed.”

Zijn ouders waren juweliers en het gezin was welgesteld. “Hier hebben we een garage; mijn ouders doen aan inkoop en verkoop van auto’s en daar kunnen we goed van leven. Ik chill ‘m gewoon.” Qasim is op weg naar een vriend om te blowen en te eten. Toen hij met zijn gezin in India woonde, woonde hij vlakbij Goa. Hij ging van een oorlogsplek naar een hippieparadijs. “Mijn toekomst ligt niet in Nederland. Dit land is goed voor me geweest, maar ik wil terug naar Goa om er juwelier te worden.”

17:30 uur – Metro 50: Kristen

Kristen is 18, Filipijns-Nederlands, en mikt erop om later stedenbouwkundig architect te worden, wat zo’n beetje betekent dat zij onze steden gaat inrichten. Ze is net op terugweg van een slopende dag kerstcadeau’s kopen. Jezelf een dag lang in de Kalverstraat begeven is reden genoeg om een week lang geen zin meer te hebben in mensen om je heen, maar daar laat Kristen niks van blijken. Ze laat me zien wat ze heeft gekocht en vertelt me hoe haar familie verspreid is over meer dan zeven landen, en hoe ze voor elkaars achttiende verjaardag naar elkaar toevliegen. In tegenstelling tot een meisje dat ik hiervoor te kort sprak om noemenswaardig te zijn, vraagt ze niet : “Waarom wil je deze dingen nou écht weten?” Ze berispt me, in tegenstelling tot die sceptische meid, ook niet: “Mensen in Nederland hebben helemaal geen zin om na hun werk nog eens hun leven met wildvreemden te delen.” Oei. Pijnlijk.

18:30 uur – Metro 50: onbekende boy met laptoptas als handtas

Tijdens mijn laatste metrorit van de dag, op weg naar huis, ga ik naast deze jongen zitten, omdat ik hem als enige op het perron niet naar zijn telefoon maar naar het toetje op een van de bewegende reclameborden zag turen. Ik vraag of hij van zijn werk komt, zo met die laptop bij zich. Hij lacht: “Ik heb geen laptop bij me. Ik gebruik deze tas gewoon als handtas, om dingen als een broodtrommel in te stoppen. Ik moet een beetje masculiniteit uitstralen, he.” Ik vraag hem of hij zin heeft in het toetje dat hij net zag. “Mwah, het is meer dat ik af en toe wel klaar ben met die telefoon. Dan kijk ik liever een beetje gezellig om me heen. Maar ik moet er hier al weer uit. Fijne dagen!”