Je kop staat me niet aan – maar waarom niet?

De wetenschap achter waarom je soms meteen een hekel aan iemand hebt.
1.7.16
De auteur wil graag ter kennis geven dat hij persoonlijk geen haat draagt voor deze mensen of hun kop. Voor Peter Buwalda heeft hij zelfs bewondering en waardering. Fred Teeven daarentegen kan het schompes krijgen.

Tijdens een treinreis in mei liep Die Guy mijn coupé binnen. Die Guy was een vrij knappe, jonge jongen met een hip kapsel, die me niet eens aankeek en vriendelijk met zijn moeder kletste. Maar iets aan zijn voorkomen veranderde mijn bloed in magma. "Jouw kop mannetje," dacht ik, "staat me dus niet aan." Waarom voelde ik dat? Waarom hebben mensen in het algemeen soms van die sterke gevoelens over iemands hoofd? Dat wilde ik weten.

Advertentie

Ik besprak dit fenomeen met mijn collega's en de herkenning was groot. We kwamen tot twee mogelijke redenen voor dat we iemand soms direct niet mogen. Een: de afkeer is sociaal-cultureel bepaald. In een oogopslag zien we aan iemands kleding, kapsel, verzorgdheid en andere accessoires of ze bij een stam horen waar wij ons prettig bij voelen. Twee: het zal wel weer iets evolutionairs zijn – "Met deze persoon hoef ik geen kinderen." Ik dacht: ik vraag het de wetenschap.

De wetenschap vond ik in de vorm van psycholoog prof. dr. Eric Hehman. Hij is de baas van het Seeing Human Lab, een plek waar onderzoek wordt gedaan naar wat er in onze breinen gebeurt als we gezichten van anderen waarnemen. Met zijn groep wetenschappers doet hij onder meer onderzoek naar waarom we iemands gezicht wel of niet betrouwbaar vinden, en welke raciale vooroordelen daarbij om de hoek komen kijken.

Ik leg hem mijn vraag voor, en zoals het een wetenschapper betaamt geeft hij een lang antwoord: "Er lijkt een evolutionaire basis te zijn voor welke soorten gezichten we betrouwbaar en aardig vinden. Die voorkeuren zijn vrij universeel."

"Wat die gezichten betreft zijn er in het algemeen twee onafhankelijke dimensies waarbinnen we het zien van gezichten verwerken. De ene is: 'Heeft deze persoon positieve of negatieve intenties naar mij toe?' Hierbij horen zaken als betrouwbaarheid, vriendelijkheid, warmte. De andere dimensie is: 'Heeft deze persoon het vermogen om op zijn of haar intenties te handelen?' Hierbij horen zaken als kracht, dominantie en competentie. Voor een recent paper maakten we een infographic waarin we duidelijk maken wat voor gezichtsuitdrukkingen zorgen voor verschillende sociale percepties."

Beeld Via.

Bij gezichten, zo heb ik gelezen in Erics onderzoek, zijn er zowel dynamische als statische cues. De dynamische cues zijn gezichtsuitdrukkingen die niet permanent zijn, of in waar in ieder geval iets aan gedaan kan worden. Een frons is – tenzij je een enge maffiabaas uit Goodfellas bent of een hangjongere die zijn baas probeert na te doen – niet een permanent onderdeel van je gezichtsuitdrukking. Het is iets wat de persoon bewust aanneemt (maar wat desondanks voor een intimiderende look kan zorgen).

Statische cues zijn lastiger te veranderen, maar onderzoek heeft gesuggereerd dat die statische cues toch veel invloed hebben op hoe mensen iemand zien. Een breed hoofd wordt bijvoorbeeld gezien als dom en racistisch, en het zorgt ervoor dat we iemand dominanter inschatten. Een smal hoofd wordt als minder dominant gezien.

Advertentie

Eric zegt over die gezichten en de intenties die we eraan toekennen: "De schets die ik gaf geeft een algemeen universeel raamwerk. Maar natuurlijk komen er bij dit verhaal ook individuele voorkeuren kijken. Misschien lijkt de persoon die je aankijkt op iemand die je niet mag. Dit is natuurlijk niet voor iedereen hetzelfde, maar het is wel van invloed op hoe aardig je iemand vindt. Ook is de context waarin je iemand tegenkomt van belang. De manier waarop een persoon kijkt wordt in verschillende contexten heel anders geïnterpreteerd. Denk aan iemand die glimlacht terwijl hij een baby vasthoudt versus iemand die glimlacht als iemand anders uitglijdt op ijs."

Ik moest denken aan die die keer toen er een dude met een didgeridoo en dreadlocks voorbij kwam lopen die precies leek op een jongen die ik ken die me een keer heel hautain had gezegd dat het nooit iets zou worden, met dat schrijven van me. Maar, dacht ik, Die Guy in de trein die ik zoveel slechts toewenste had noch kwade, noch goede intenties naar mij getoond. Ik kende de hele gast niet. En toch voelde ik weerzin toen ik hem zag. Wat denkt Eric van mijn gevoel? En kent hij dat gevoel überhaupt?

"Ja, ik empathiseer volledig met dat gevoel dat je van iemand de rillers krijgt. Maar de vraag waarom dat op individueel niveau precies gebeurt is lastig te beantwoorden. Bij iemand die een onbetrouwbaar gezicht heeft zal het eerder voorkomen dan bij iemand die er zeer vriendelijk en betrouwbaar uitziet. En hoewel jij zegt dat je die jongen nooit eerder gezien hebt, is het natuurlijk wel zo dat je je hele pakket aan ervaringen, herinneringen en associaties op dat moment met je meedraagt. Wie weet dat daar iets in zit."

Toen hij dat zei dacht ik terug aan mijn moment met Die Guy, en ik moet bekennen dat de jongen eruitzag alsof hij weleens lid van het studentencorps had kunnen zijn geweest. Daar sta ik niet per se welwillend tegenover. Maar ben ik zo makkelijk, zo flauw? Is dat wat ik ben? Een veroordelingsmachine, in wezen niet anders geconditioneerd dan de eerste de beste racist?

"Misschien valt het mee", zegt Eric. "Als je met die jongen was gaan praten had het vast meegevallen, en had je je inschatting van hem bijgedraaid."

Misschien, dacht ik. Maar ik dacht ook: is dit alles wat de wetenschap me in deze te bieden heeft? Misschien moet ik maar contact leggen met de volgende persoon wiens hoofd me niet aanstaat. En hem dan meevragen naar een bezoek aan de hersenscanner. Misschien lig ik daar dan in, en besef ik dat ik een bittere man ben. Of misschien kwam het allemaal doordat ik mijn moeder miste, en hij met de zijne zat te praten. Misschien was mijn haat voor Die Guy wel precies zo groot als mijn liefde voor mijn moeder. Zou de wetenschap dat met hersenscanners kunnen vaststellen?