depressie

Depressieve mensen hebben mogelijk een realistischere kijk op de wereld

En gelukkige mensen lijden misschien wel aan waanideeën.
05 november 2017, 6:12pm
Cloud Studio / Stocksy

Ben je depressief? Gek genoeg kan dat betekenen dat je juist beter in staat bent je prestaties – en de werkelijkheid in het algemeen – te beoordelen, dan wanneer je dat niet bent.

Dit fenomeen heet 'depressief realisme', en het suggereert dat we in onze normale staat rondlopen met vrolijke waanideeën die verdwijnen als we depressief zijn. Het idee staat haaks op de theorie dat depressieve mensen een te negatief wereldbeeld hebben: ze zouden de dingen best eens kunnen zien zoals ze werkelijk zijn.

Volgens het Trimbos-instituut is depressie een van de meest veelvoorkomende geestesziekten in Nederland. In 2014 werden meer dan 1 miljoen Nederlanders (zo'n 7,5 procent van de bevolking) door een depressie getroffen. Betekent dit ook dat meer dan 90 procent van de bevolking rondloopt met een roze bril op?

Volgens sommige onderzoeken wel. Het concept depressief realisme deed voor het eerst zijn intrede in 1979, in een paper van L.B. Alloy en L.Y. Abramson. Tijdens het bijbehorende onderzoek lieten de onderzoekers een groen lichtje zien aan depressieve en niet-depressieve deelnemers. Vervolgens vroegen ze de deelnemers in te schatten in hoeverre hun reactie (het knopje indrukken) het lichtje controleerde. Depressieve deelnemers waren veel beter in het beoordelen van de mate waarin ze de controle hadden, terwijl niet-depressieve deelnemers geneigd waren aan te nemen dat ze meer controle hadden over het lampje dan ze in werkelijkheid hadden.

Depressief realisme wordt "door veel, maar niet alle psychologen nog steeds beschouwd als een vruchtbare hypothese," zegt Colin Feltham, emeritus professor Critical Counseling Studies aan de Sheffield Hallam University, en auteur van het boek Depressive Realism. Er zijn tal van onderzoeken naar de theorie gedaan, zegt hij, met verschillende uitkomsten.

Het kan verbonden zijn aan andere psychologische theorieën, zoals de 'terror management theory', zegt Feltham. Deze theorie suggereert dat de menselijke aard geneigd is zichzelf te misleiden: om angstaanjagende concepten als de dood niet onder ogen te hoeven komen, leven de meesten van ons in een staat van zelfwaan. En misschien worden we wel niet zo snel misleid als we in een depressieve staat verkeren.

Sterker nog, "sommige psychologen erkennen dat een stukje zelfmisleiding noodzakelijk is voor de gezondheid," zegt Feltham. Depressieve mensen missen mogelijk dat cruciale beetje optimisme dat ons staande houdt in een leven vol verdriet, betekenisloosheid en dood. Dus hoewel zij een realistischere kijk op de wereld hebben, weten we allemaal dat de realiteit soms regelrecht kut is.

Wie zijn nou de mensen die het meeste kans hebben op depressief realisme? Introverte mensen, mannen en mensen met een hoog IQ, zegt Feltham. Hij voegt toe dat het fenomeen vooral voorkomt bij licht depressieve mensen. Daartegenover staat dat mensen met een zware depressie vaker grotere verstoringen hebben in hun denken.

Toch is niet iedereen overtuigd van het effect van depressief realisme, zoals dat in de literatuur staat beschreven. Psycholoog Michael T. Moore, professor aan de Adelphi Universiteit in de staat New York, deed een overzichtsonderzoek naar 75 onderzoeken omtrent depressief realisme, waaraan in totaal 7.000 mensen meededen. Zijn conclusie? "Er is zeker bewijs voor, maar het bewijs dat er is toont aan dat het voorkomt onder een klein aantal, zeer specifieke omstandigheden," zegt hij. "Een kapotte klok heeft twee keer per dag gelijk."

Moore gelooft dat het niet de depressieve deelnemers zijn die over het algemeen een meer kloppend beeld van de werkelijkheid hebben. In plaats daarvan is het de gecontroleerde experimentele opzet van veel van deze onderzoeken, die de resultaten kunstmatig hebben veroorzaakt.

"Als je de omstandigheden zo opzet dat er geen relatie is tussen het knopje en het licht, dan pikken depressieve patiënten dat beter op, omdat die omstandigheden hun vooroordeel over de wereld bevestigen: dat slechte dingen gebeuren zonder reden," legt Moore uit. "Dat betekent niet dat ze over het algemeen vaker gelijk hebben, maar dat ze onder die beperkte set van stimuli vaker gelijk lijken te hebben."

Wat we niet weten, benadrukt Moore, is of depressieve patiënten de wereld daadwerkelijk beter kunnen inschatten, wanneer je het hele scala aan menselijke ervaringen meerekent. Het op dit moment beschikbare onderzoek is te homogeen, zegt hij.

Om die reden blijft het een open vraag of depressief realisme ook echt een breed hanteerbaar fenomeen is, zegt Moore. Maar het is een belangrijke vraag, want het kan van grote invloed zijn op hoe we depressie voorkomen en behandelen.

De huidige, meest toonaangevende behandeling voor depressie is cognitieve therapie, die handelt vanuit de aanname dat een depressieve patiënt verdrietig is omdat diegene zijn of haar omgeving verkeerd interpreteert, zegt Moore. De patiënt herinnert zich alleen negatieve dingen, en slaagt er niet in positieve dingen waar te nemen. Van cognitieve therapie wordt verondersteld dat het de patiënt helpt een realistischer wereldbeeld te ontwikkelen – en dat zou uiteindelijk bij kunnen dragen aan genezing.

Maar als depressief realisme wordt bewezen, roept dat natuurlijk vanzelf de vraag op of cognitieve therapie patiënten echt helpt om de realiteit beter in te schatten. Mogelijk biedt het patiënten enkel een roze bril.

Tot dusver suggereert het bewijs dat licht depressieve personen beter zijn in het waarnemen van bepaalde aspecten van de realiteit. Of dit ook waar is onder een breder scala aan omstandigheden, moet nog bewezen worden. Maar geniet ondertussen van je roze bril – het kan zomaar eens een teken kunnen zijn van je goede geestelijke gezondheid.