Ik ben als de dood dat ik mijn ouders vermoord

Ik lijd aan gewelddadige dwanggedachten, waardoor ik constant bang ben dat ik iets verschrikkelijks ga doen.
5.9.16
Afbeelding via Flickr-gebruiker tinanwang, via.

Het is niet onwaarschijnlijk dat je ooit naast iemand hebt gezeten, en dat plotseling de gedachte om die persoon neer te steken door je hoofd schoot. Een vriend, een geliefde of iemand anders die je niet per se hoeft te zien verdrinken in zijn of haar eigen bloed. Normaal gesproken is zo'n gedachte niet meer dan een flits ­– een hersenkronkel die even snel weer weg is als-ie was gekomen. Die gewelddadige gedachten kunnen iets langer aanhouden als je wordt afgesneden door een klootzak in een auto die je zelf niet kunt betalen, of als je tegenover een collega zit die duidelijk hoorbaar van haar noedelsoep aan het genieten is, maar meestal ben je de gedachte zo-iemand om te leggen al snel weer vergeten. En als je je het later nog herinnert, maak je je er niet druk om – je weet dat je geen moordenaar bent.

Maar zulke visioenen en gedachtes gaan niet bij iedereen zo snel weg. Bij mensen als ik, bijvoorbeeld niet – ik lijd al zes jaar aan gewelddadige dwanggedachten. Dat is een psychologische aandoening die wordt gekenmerkt door een obsessieve angst dat je iets doet waarvan je weet dat je het niet moet doen ­– iets vreselijks, iets crimineels. Je bent doodsbang dat je een pedofiel blijkt te zijn, of opeens een moord pleegt – bang om plotseling te veranderen in een ongecontroleerd agressief monster.

Deze obsessieve angst om niet te kunnen stoppen als je iets verschrikkelijks doet, is niet hetzelfde als het verlangen om daadwerkelijk zoiets te doen. Mensen met gewelddadige dwanggedachten vormen geen risico voor hun omgeving, ze zijn alleen constant bang voor dat risico.

Bij mij begon het met een paniekaanval toen ik zeventien was. Tot die tijd had ik weinig zorgen en was ik best gelukkig. Op een dag werd ik opeens doodsbang – een gevoel dat dag en nacht in mijn hoofd bleef zitten. Het was het soort angst dat je voelt vlak voordat je naar het belangrijkste sollicitatiegesprek van je leven moet, maar in mijn geval was er geen sollicitatie. Ik was vreselijk bang, en ik had geen idee waarvoor. Ik kan me die dagen niet meer zo goed herinneren, ik probeerde zoveel mogelijk te slapen. Ik had geen zin om mijn vrienden te zien en kon me op niets anders concentreren dan mijn angst.

Op een avond, terwijl ik in bed lag en probeerde in slaap te komen, schoot me een gedachte te binnen. Ik stelde me voor hoe ik de keuken inliep, er een groot keukenmes uit de la pakte, en mijn ouders op bloeddorstige wijze vermoordde in hun slaap. Die gedachte overtuigde me ervan dat ik gek was. Vanaf dat moment richtte mijn angst zich op die gedachte. Vanaf die avond was ik obsessief bang dat ik mijn ouders zou vermoorden. Ik had wel momenten waarop ik mezelf kon inprenten dat ik heus wel wist dat ik zoiets nooit zou doen, maar die momenten legden het altijd af tegen de vraag: maar wat als? "Wat als je vanavond gek wordt, de controle verliest en echt een mes trekt?" Het was het enige waar ik aan kon denken – op school, zwetend en in paniek, en tijdens het eten met mijn ouders, bang voor mijn mes.

Als ik terugkijk op die tijd, denk ik dat mijn angst toen werkte zoals een auto-immuunziekte werkt – als het immuunsysteem dat je normaal gesproken beschermt zich tegen je lichaam keert. Het deel van mijn onderbewustzijn dat verantwoordelijk is voor het onderscheid tussen goed en kwaad overvleugelde de rest van mijn hersenen en tastte mijn geestelijke gezondheid en geluk aan. Destijds besefte ik dat niet – ik was ervan overtuigd dat ik gek was geworden. Na een paar jaar wist ik niet meer wat ik met mezelf aan moest, en maakt ik een afspraak met een psycholoog.

Wat als mijn therapeut het mis had? Wat als ik echt ziek was en hij het gewoon niet had gemerkt?

Toen ik voor het eerst naar de psycholoog ging, was ik ervan overtuigd dat ik afgevoerd zou worden in een dwangbuis, in een ambulance zou worden gezet en zou worden opgesloten in een gekkenhuis. Het eerste dat ik aan mijn psycholoog vertelde was dat ik dacht dat ik schizofreen was. Maar nadat ik een minuut of tien over mezelf had verteld, merkte ik dat hij niet erg onder de indruk was. Hij verzekerde me ervan dat ik nooit een afspraak met hem had gemaakt als ik echt psychotisch of psychopathisch was geweest – dat was wel een opluchting. Hij legde me uit wat gewelddadige dwanggedachten zijn, en er vrij veel mensen zijn die er last van hebben – volgens een onderzoek uit 2007 heeft 78% van de mensen met dwangneuroses last van dwanggedachtes, ook wel 'intrusies' genoemd. Bovendien worden veel mensen met gewelddadige dwanggedachten niet gediagnostiseerd, omdat ze zelf niet beseffen dat dit een dwangstoornis is. Twintig minuten nadat mijn psycholoog me een beetje gerust had gesteld, hadden we al een plan gemaakt voor mijn behandeling, en een afspraak voor de volgende week.

Ik was eindelijk gediagnostiseerd, maar de opluchting die ik voelde hield niet erg lang aan. Ik dacht niet meer aan het omleggen van mijn ouders, maar er drongen zich wel andere nare dwanggedachten op: de angst dat ik een seriemoordenaar zijn, dat ik seks zou willen hebben met dieren, dat ik een onderdrukte pedo was. Dat schoot allemaal door mijn hoofd. Ondanks de hulp van mijn psycholoog, kon ik de gedachten en de angsten die ze met zich mee brachten nooit helemaal onder controle krijgen. Wat als hij het mis had? Wat als ik echt ziek was en hij het gewoon niet had gemerkt? Altijd als een visioen wegtrok, kwam er een nieuwe, verschrikkelijke variant voor in de plaats.

Momenteel ben ik vooral bang dat ik onbewust een pedofiel ben. Als ik een kind over straat zie lopen, denk ik dingen als: waarom keek ik naar hem? Wat denk je nu? Is dit een onderdrukt verlangen? Ik heb een klein zusje, en als ik bij haar in de buurt ben ervaar ik veel stress – niet vanwege een daadwerkelijk verlangen, dat weet ik wel, maar omdat ik bang ben dat dat verlangen plotseling wel op komt zetten. Door therapie heb ik geleerd om een beetje met die angst om te gaan, om niet van angst te verstijven. Als zo'n gedachte in me opkomt, probeer ik die te accepteren voor wat-ie is, in plaats van te proberen hem weg te laten gaan. Ik onderdruk mijn gedachten niet, maar probeer ze los te laten en dan te zien wat er in mijn hoofd gebeurd. Als ik mijn gedachten niet onderdruk, wordt het visioen vaak geneutraliseerd – dan besef ik dat ik niet echt de verlangens heb waarvoor ik vrees, en trekt de paniek weg.

Het helpt ook om er met andere mensen over te praten. Op een online forum over gewelddadige dwanggedachten heb ik de 27-jarige Lola leren kennen, die me vertelde over haar stoornis. Net als ik, is ze vooral bang dat ze pedofiel wordt. Voor haar is dat extra lastig, omdat ze een zoon van twee jaar oud heeft. Terwijl ze voor hem zorgt, is ze constant bang om hem iets aan te doen. "Het is moeilijk om ermee te leven, maar ik weet wel dat er niet echt iets gebeurt en ik probeer er van dag tot dag mee om te gaan. De afgelopen maanden heb ik nog een andere dwanggedachte – ik ben obsessief bang dat ik niet meer van mijn man houd. Als ik hem zie, volg ik elke beweging die hij maakt, ik analyseer hoe ik over hem denk – om erachter te komen of ik nog wel van hem houd. De hele dag door denk ik aan de laatste keer dat ik hem heb gezien. Waarom lachte ik niet toen hij een grapje maakte? Waarom hebben we gisteren geen seks gehad? Ik weet dat ik heel veel van hem houd, maar ik kan niet stoppen met daaraan twijfelen."

Ik herkende mezelf daarin. Ik heb mezelf die vraag ook vaak gesteld toen ik een relatie had. Ik werd er gek van. Maar ik ben niet getrouwd en ik heb geen kind – mijn dwangstoornis heeft de relatie met mijn familie nog niet kapot gemaakt. Met Lola praten over haar ervaringen heeft me geholpen mijn situatie in perspectief te zien.

Nadat ik bij verschillende therapeuten onder behandeling was geweest, had ik de hoop dat ik mijn dwanggedachten ooit kwijt zou raken min of meer opgegeven. Ik ben altijd sceptisch geweest over psychotherapie, en wilde nooit medicijnen slikken, dus moest ik het doen met de situatie waarin ik zat. Onlangs heeft een nieuwe therapeut me aangeraden om cognitieve gedragstherapie te volgen om mijn dwang- en angststoornis aan te pakken. Tijdens die behandeling word je langzaam en in fases blootgesteld aan de bron van je angst. Ondertussen leer je ontspanningsoefeningen te doen om de psychologische gevolgen van je angst te controleren. Daarnaast doe je thuis oefeningen, tussen de therapiesessies door, waarin je je met je eigen angsten confronteert – je houdt een scherp mes vast, brengt tijd door met je zusje in plaats van haar te ontlopen. Ik zit nu nog in de beginfase van die therapie.

Ik heb geleerd dat het niet helpt om te proberen je dwanggedachten tegen te gaan. Hoe harder je probeert ze weg te drukken, hoe vaker ze terugkomen en hoe gewelddadiger ze worden. Ik weet dat ik diep adem moet halen en moet accepteren dat de gedachten zich in mijn brein vormen. Mijn angst is eigenlijk het bewijs dat er niets mis is met mijn moraliteit.