Michel Adam-13
Sport

Hoe ik van de Eredivisie in de vuurwerkhandel belandde

"Ik had een keer een ongelukje met dat illegale spul. Alle ramen in de straat knalden eruit."
David Meulenbeld
foto's door David Meulenbeld
Dave Aalbers
zoals verteld aan Dave Aalbers
12 februari 2020, 2:58pm

Michel Adam (51) was een voetballer die aanvallers met een grote glimlach dwars doormidden schopte. De keiharde verdediger speelde in de jaren tachtig en negentig tien jaar lang voor FC Den Haag. Met zijn Haagse mat was hij een nachtmerrie voor al zijn tegenstanders. Ooit bood FC Den Haag hem 5.000 gulden om zijn lokken eraf te knippen, maar dat weigerde hij. De mat zit er vandaag de dag nog steeds.

Adam koos na zijn carrière niet voor een standaard leven als jeugdtrainer, scout of zaakwaarnemer. Zo vertelde hij onlangs aan Omroep West dat hij een tijdje in het illegale vuurwerkcircuit belandde. Tegenwoordig runt hij in Den Haag een wasserette, die hij rond oud en nieuw omtovert tot vuurwerkwinkel. Tegenwoordig met enkel legaal spul.

Dit is het verhaal van Michel Adam.


Mensen zeggen weleens tegen me dat ik met de VAR elke maand rood had gehad. Als ik tegen een speler als Dennis Bergkamp of Romário speelde, deed ik er alles aan om ze te intimideren. Ik kneep in hun reet, draaide hun ballen rond en zette de slidings lekker hoog in. Ik trok nooit mijn poot terug. Voor de wedstrijd in de spelerstunnel begon het intimideren al. We sloegen in die tunnel keihard op de plastic ramen. Tegenstanders schrokken zich de pest en kwamen met trillende billen naar Den Haag.

In mijn tijd bij FC Den Haag was ik de enige semiprof in de selectie. Ik werkte namelijk ook nog als postbode bij de PTT. Ik begon om zes uur ‘s ochtends met werken, daarna twee keer trainen en soms moest ik daarna nog de post afmaken. Inclusief premies en mijn salaris van de PTT verdiende ik 10.000 gulden in de maand. Tegenwoordig trekken ze daar hun schoenen niet meer voor aan, maar ik vond dat toch aardig wat geld. Soms zeggen mensen tegen me: “Je moet eens weten wat je tegenwoordig had kunnen verdienen.” Tja, als mijn zus kloten had gehad, was het mijn broer geweest.

Toen ik als jonge gozer bij de selectie van Den Haag kwam, liepen er veel Haagse jongens rond. In mijn eerste jaar heb ik nog met Martin Jol gespeeld, met wie ik altijd een hotelkamer deelde. Die man had het de hele dag door over voetbal. Dat kwam weleens mijn neus uit, maar we hebben ook veel gelachen samen. Vooral omdat Martin heel erg last had van claustrofobie, waardoor hij altijd met de deur open zat te kakken. Ik zat op het bed en ondertussen stak hij zijn hoofd buiten de deur: “Sorry jongen, ik heb claustrofobie.” Dat vergeet ik nooit meer.

We hadden als Haagse jongens allemaal dezelfde mentaliteit en humor. De jongens van buitenaf gingen daar lekker in mee. Ik weet bijvoorbeeld nog goed dat Dick Heesen een keer bij Gavin Price in zijn tas had gescheten. Dick scheet in een zakje en stopte dat in het onderste vakje van Gavins tas. Na een week of twee begon het zo erg te stinken dat ik die tas de kleedkamer uit pleurde. Toen kreeg Price pas door dat er iets niet klopte. Hij haalde het zakje uit zijn tas en deed z’n neus erin. Ik heb nog nooit iemand zo hard zien kotsen. Haagse humor. Heerlijk, toch?

Tijdens mijn carrière had ik een compleet ander ritme dan de meeste voetballers. Ik zat de dag voor de wedstrijd regelmatig tot 4 uur ‘s nachts in The Crusader. Dat was een oude hoerentent, waar van die oude lijken aan de bar zaten. In die discotheek kwam echt al het bagger uit Den Haag. Daar voelde ik me helemaal op mijn gemak. Ik zeg altijd maar zo: als je alle bagger bij elkaar gooit, gebeurt er nooit wat. Als er vreemden binnenkwamen, was het wel regelmatig matten. Als zo’n vreemde aan de reet van iemands wijf zat, was het altijd prijs. Die werd dan gelijk van de trap af gedonderd en dan ontstond er een massale vechtpartij.

In The Crusader kwamen ook altijd veel supporters van Den Haag. Ze wisten dat ik daar ook mijn drankje deed, maar zolang ze er niks van terugzagen op het veld, hoorde ik daar niemand over. Assistent-trainer Mark Wotte ging in die tijd alle kroegen af om te controleren of er jongens in de stad waren. Ik had geluk: Wotte durfde nooit in The Crusader te komen. Een keer had onze hoofdtrainer Co Adriaanse wel van iemand gehoord dat ik de hort op was: “Adam, je was nog om 4 uur in de kroeg.” Dan zei ik: “Dat moet mijn tweelingbroer zijn geweest.”

Na zo’n avondje in The Crusader ging ik standaard een balletje gehakt halen bij de Haringkoning. Vaak lag ik ‘s avonds in bed en ging mijn vrouw me gek lopen maken: “Oh, heb je ook zo’n trek in een balletje?” Hop, dan ging ik toch weer mijn bed uit om een balletje te halen. In die tijd hadden we nog niet van die voedingsschema's of van die andere onzin. Laat iedereen gewoon lekker leven zoals-ie leeft, man.

Niemand van ons had in die tijd een grammetje vet teveel hoor. Na de zomervakantie werd ons vet gemeten en het seizoen begon altijd met twee coopertesten achter elkaar. Adriaanse liet ons al het vet eraf lopen. We hadden vaak looptrainingen op het strand van Kijkduin: ik ken daar iedere zandkorrel uit mijn hoofd. We moesten dan binnen een uur bij de muur van het strand zijn. Assistent-trainer René Notten stond altijd op die muur te noteren wie er allemaal op tijd binnen waren. Precies na een uur stapte hij weer in zijn auto. Als hij je naam niet had genoteerd, kon je de volgende dag hetzelfde rondje opnieuw doen.

Tijdens zo’n looptraining ben ik ook een keer stiekem in een bus gestapt. Ik was helemaal gebroken die dag. Toen ik de bus uit wilde stappen, zag mijn ploeggenoot Heini Otto me. Hij begon naar me te wijzen en ik probeerde nog te verstoppen achter een auto. Hij heeft me verraden en de volgende dag kon ik weer aan de bak bij zo’n looptraining. Dankzij die discipline van Adriaanse hebben we in die tijd zoveel succes gehad.

Ik heb een geweldige tijd gehad bij Den Haag, maar na tien jaar kwam mijn carrière helaas noodgedwongen ten einde. Het begon allemaal met een tackle van Hans Kraay jr. Die was zo blind als een paard en schopte net als ik naar alles wat bewoog. Ik brak de kop van mijn kuitbeen, wat normaal niet zo’n ramp is – normaal is dat een kwestie van twee schroeven erin en dan kun je vrij snel weer aan de bak. Alleen die lamlul van een dokter had die breuk over het hoofd gezien. Er is fout op fout gemaakt, waardoor ik uiteindelijk acht keer ben geopereerd.

Even was er sprake van dat mijn been geamputeerd moest worden, als hij zwart zou worden. Ik moest in die tijd constant mijn been omhoog houden om dat te voorkomen. Ik moest zelfs schijten met mijn been in de lucht. Dat is geen pretje. Gelukkig is het niet met een amputatie afgelopen, maar mijn carrière viel door de fouten van de artsen wel in duigen. Ik ben Hans Kraay nog weleens tegengekomen en heb toen gezegd: “Hansie, bedankt hè!” Daar kon hij wel om lachen. Ik neem hem verder ook niks kwalijk, want eigenlijk was er weinig aan de hand. We waren precies dezelfde types: allebei niet vies van een schoppartij.

Na mijn carrière heb ik nog een tijdje bij de PTT gewerkt en ondertussen belandde ik in de illegale vuurwerkhandel. Ik importeerde dat vanuit het buitenland naar Nederland. Ik belde vervoersbedrijven op of ze tuinvazen voor me konden verschepen. Die stopte ik dan vol met shells, van die mortierbommen. Die bedrijven wisten van niks.

Met zo’n shell heb ik ook een keer een ongelukje gehad. Ik testte die dingen altijd bij mij voor de deur. Het viel me al op dat het ding een kort lontje had. Ik stak hem aan en dacht: waarom gaat-ie nou niet de lucht in? Blijkbaar had ik die shell verkeerd om in de pijp gedaan, waardoor hij niet de lucht in knalde, maar recht naar beneden. Precies op dat moment kwam mijn dochter van dertien naar buiten lopen.

Het was een enorme knal en mijn dochter werd door de luchtdruk helemaal naar achteren geslingerd. Er was een enorme hap uit de deur van mijn auto en alle ramen in de straat lagen eruit. Er zat ook een school aan de overkant van de straat en ook daar was ook geen raam meer heel. De buurman dacht dat er een aanslag was. Het was niet normaal. Gelukkig had mijn dochter uiteindelijk niets, maar het heeft wel een enorme impact op haar gehad. Ze is nog altijd doodsbang voor vuurwerk.

Vanaf dat moment was ik wel klaar met die illegale zooi, zeker nadat ik in dat jaar voor de vierde keer werd opgepakt. Ik zat dan regelmatig vier dagen vast. Mijn vrouw zei altijd tegen mijn dochters: “Papa is even een weekje vissen.” Ze had me ook ziek gemeld bij de PTT, maar daar vertrouwden ze het niet helemaal. Mijn vrouw is toen nog een keer snel naar het politiebureau gereden. Tijdens mijn verhoor mocht ik een belletje plegen. Ik hoestte erbij en zei met een zielig stemmetje: “Ik ben zo ziek.” Dat is mijn redding geweest.

Een jaar of dertien geleden heeft mijn vrouw dit pandje geregeld in Den Haag, omdat hier een vuurwerkvergunning op zit. Ik ben gestopt met het illegale vuurwerk en verkoop nu legaal spul. Aan het begin vond ik het flutvuurwerk, maar achteraf denk ik: waarom ben ik hier niet eerder mee begonnen? Ik ben er nu heel blij mee. Later zijn we in dit pandje ook nog een wasserette begonnen. Ik doe nu de was voor 49 horecazaken in Den Haag. Ik mag niet mopperen.

Voetballen doe ik op mijn 51ste nog steeds, bij de amateurs van WIK in Den Haag. Ik ben mijn trucjes nog niet verleerd. Als ik iets los in het broekie zie zitten, draai ik de ballen nog steeds weleens rond. “Scheids, hij zit aan mijn tollie,” riep zo’n gozer laatst nog. Die jongens van tegenwoordig raken meteen helemaal van slag. Prachtig, toch?

-

Naast onze geschreven verhalen en video's hebben we nu ook een podcast: De Wereld van VICE Sports. De afleveringen zijn hier te luisteren bij Apple of hier op Spotify:

Tagged:Den Haag