Foto van een bezoeker in het Rijksmuseum.
Foto van een bezoeker in het Rijksmuseum. Beeld door het Rijksmuseum.
Identiteit

De nieuwe tentoonstelling over slavernij is een te late erkenning van de pijn

Je hoeft niet naar het Rijksmuseum om te weten dat slavernij gruwelijk en vreselijk was. Wel laat de expo zien hoe diep de slavernij verweven is met de Nederlandse cultuur.
Tim Fraanje
Amsterdam, NL
20.5.21

“Veel plezier,” wenst de vriendelijke suppoost me toe, maar ik verwacht eigenlijk geen plezierige dag te hebben op de tentoonstelling over slavernij in het Rijksmuseum. Slavernij is namelijk verre van een plezierig gebeuren geweest, zo blijkt al in de eerste zaal: “In de kern draait slavernij om het feit dat de ene mens eigendom wordt gemaakt van een ander,” staat er op de muur. 

Advertentie

Op de expo, de eerste tentoonstelling over de slavernij in een nationaal museum, zie je objecten uit de collectie van het Rijks. Ze zijn gegroepeerd rondom de verhalen van tien mensen uit het verleden die iets met de slavernij te maken hebben. De audiotour is ingesproken door mensen uit het heden, die op hun beurt allemaal iets met de hoofdpersonen van de tentoonstelling te maken hebben. Veel van hen zijn nazaten van tot slaafgemaakten, zoals drievoudig wereldkampioen kickboksen Remy Bonjasky en actrice Joy Delima. Psychiater Glenn Helberg, die is gespecialiseerd in interculturele conflicten, praat het geheel aan elkaar. 

Je hoeft niet naar een tentoonstelling in het Rijksmuseum om te weten dat slavernij gruwelijk en vreselijk was. Wel laat die context zien hoe diep de slavernij verweven is met de Nederlandse cultuur. Niet alleen de cultuur uit de ‘gouden’ eeuw, maar ook die van nu. Vooral de handelsgeest waar we als land nog altijd trots op zijn, komt er slecht vanaf. 

Slavernij was volgens Annemieke van der Vegt, één van de vertellers van de audiotour, al sinds de Middeleeuwen verboden in Nederland. Tijdens de hoogtijdagen van de trans-Atlantische slavenhandel wist iedereen dus best dat het een verdorven praktijk was. Maar omdat er overzees met slaven gewerkt kón worden, was je kennelijk een dief van je eigen portemonnee als je het niet deed. 

Johan Maurits, de gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië, zei bijvoorbeeld: “Zonder slaven is het niet mogelijk iets voor elkaar te krijgen en wie zich daarover bezwaard voelt heeft slechts onnodige scrupules.” ‘Abolitionist’ Dirk van Hogendorp keurde de slavernij af, maar uit zijn kasboeken blijkt dat hij hen wel op zijn eigen land liet werken. Dat had vooral te maken met zijn gebrekkige werkgeverschap: “Hij klaagde dat het niet anders kon, omdat vrije mensen steeds bij hem wegliepen,” aldus de zaaltekst.  

Sommige slaveneigenaren, zoals Jonas Witsen, hadden hun eigen plantages nog nooit gezien. Witsen had de plantage geërfd, inclusief slaven, en vond dat de productie wel eens omhoog geschroefd mocht worden. Daartegen kwam protest onder leiding van de tot slaafgemaakte Wally, die vond dat de eigenaar “wel rijk genoeg was”. De opstand werd neergeslagen, de tot slaaf gemaakten werden, zo vertelt Remy Bonjasky in de audiotour: “langzaam verbrand, terwijl ze ondertussen ook nog geknepen werden met hete tangen”. 

Kunst werd soms ingezet om de platte en gewelddadige geldgraaierij enigszins te maskeren. Plantage-eigenaar Witsen had bijvoorbeeld een aantal door kunstenaar Dirk Valkenburg gemaakte prenten van de gebouwen op zijn plantage in het rariteitenkabinet van zijn Amsterdamse grachtenpand hangen, waarop de tot slaaf gemaakten amper te zien waren. “Zo functioneerde [Valkenburg] als een schakel, maar ook als een filter tussen de eigenaar en de plantage,” staat er in de zaaltekst. In aanloop naar de tentoonstelling heeft het museum ook de rest van hun collectie extra onderzocht en waar nodig op naambordjes een verwijzing naar de slavernij toegevoegd. De gruwelijkheden die eerder schuilgingen achter kunstige kostbaarheden en de imposante architectuur komen in al hun lelijkheid naar boven.

Advertentie

De prenten van Valkenburg zijn vrij onbeduidend, en het is niet moeilijk om hem als een opportunist terzijde te schuiven. Echt pijnlijk wordt het bij twee portretten die geschilderd werden door de trots van het Rijksmuseum en de beroemdste Hollandse meester: Rembrandt. Op de audiotour vertelt museumdirecteur Taco Dibbits hoe hij met veel moeite het Rembrandt-portret van een vrouw genaamd Oopjen en haar man Maarten Soolmans aan wist te kopen. De familie van Soolmans werd rijk in de suikerhandel, een sector die grotendeels draaide op slavernij. Dibbits vertelt dat het slavernijverhaal, dat ook aan deze schilderijen kleeft, pas naar boven kwam toen ze de werken opnieuw gingen onderzoeken voor deze tentoonstelling. Glenn Helberg concludeert dat Oopjen indirect profiteerde van de slavernij waar haar man zijn fortuin aan te danken had. Het wordt aan de bezoeker overgelaten om daar nog bij te bedenken dat ook Rembrandt onderdeel was van de deels op slaven draaiende economie. 

Er was aanvankelijk kritiek op het idee van een slavernij-expositie in het Rijksmuseum: de esthetische context zou de boodschap niet ten goede komen. Eén van de leden van de denktank die werd geraadpleegd bij het tot stand komen ervan, noemde het hele museum een “tempel van koloniale zelfoverschatting”. Toch is het wat mij betreft juist die context die de tentoonstelling zo doet wringen, en die invoelbaar maakt waarom wat voor de één een ‘gouden eeuw’ was, voor de ander een lijdensweg vol horror is geweest. Terwijl ik mij verlies in Rembrandts chiaroscuro is het moeilijk om tegelijkertijd aan de slavernij te denken. De portretten van Marten en Oopjen zijn van een sacrale schoonheid die, in tegenstelling tot de mensen op de schilderijen, puur, onfeilbaar en onschuldig voelt. Het is voor iedereen belangrijk om te weten welke prijs er voor die schoonheid is betaald, en door wie. 

De slavernij is uiteindelijk schoorvoetend afgeschaft. De expositie in het Rijksmuseum is een kleine en late stap in de erkenning van het leed dat honderdduizenden mensen in verschillende werelddelen is aangedaan. Daarnaast worden er mechanismen van onderdrukking blootgelegd die nog altijd in werking zijn. Banken, multinationals en pensioenfondsen permitteren zich overzees ook nu nog dingen die in eigen land niet door de beugel zouden kunnen. Er wordt geïnvesteerd in wapens, ontbossing en fossiele brandstoffen en er is weinig oog voor uitbuiting. De vergoelijkende retoriek en het wegkijken is niet erg veel veranderd. De expo is niet per se een aanleiding om te twijfelen aan de schoonheid van Rembrandts werken, maar je gaat je wel afvragen of we niet zonder de Nederlandse handelsgeest kunnen.

De tentoonstelling is totdat de musea weer open mogen voorlopig online te bekijken.