In 1969 hoorden twee jonge hippies genaamd Ken Douglas en Dub Taylor een paar onuitgebrachte opnames van Bob Dylan op één van de wat gewaagdere radiozenders van Los Angeles. De zender had een kopie bemachtigd van de illegale The Basement Tapes, die in die tijd ondergronds circuleerden. Aangezien Douglas en Taylor enorme fans van Dylan waren, vonden ze dat ze hun eigen kopie van de tapes moesten hebben. Ze waren bovendien nogal gewiekst en ambitieus, dus besloten ze om de tapes op vinyl te persen voor helderder geluid, een langere levensloop en een vettere fysieke verschijning. Dus persten ze er een stuk of wat. Ze hielden hun eigen kopieën van de eerste oplage van 100 apart en deden de andere 96 in de verkoop bij een hippievriendelijke platenzaak in Los Angeles, zodat ze de gemaakte kosten eruit haalden. De plaat raakte vrijwel meteen uitverkocht, ondanks het feit dat de hoes helemaal wit was en de labels waren gerecycled van overblijfsels uit de platenfabriek. Douglas en Taylor persten er dus nog meer, net als andere mensen die het idee hadden overgenomen. De titelloze, onofficiële Dylan-plaat, die bekend kwam te staan als Great White Wonder, betekende per ongeluk het begin van de bootleg-platenindustrie.
Idealiter vormden bootleg-labels een vreemde mix tussen een fanclub, een doe-het-zelf-project en een kapitalistische onderneming in guerrillastijl. Ze werden gerund door mensen die echt geobsedeerd waren door de artiesten van wie ze de shows opnamen en van wie ze de opname-archieven plunderden. De bootleggers beschikten echter ook over een echte sjacheraarsmentaliteit als het ging om zaken doen en het omzeilen van de wet. Clinton Heylins standaardwerk Bootleg: The Secret History of the Other Recording Industry leest een beetje als die Johnny Depp-film Blow, maar dan omgevormd tot een paradijs voor muziekfreaks. Personages worden naar dingen vernoemd (zoals ’the Rubber Dubber’) terwijl John Wizardo steeds met nieuwe ideeën op de proppen komt om de autoriteiten te ontlopen en de mensen te voorzien van alle live-albums van The Who en onuitgebrachte sessies van The Beatles die ze maar verlangden.
Videos by VICE
Douglas en Taylor zetten het label Trademark of Quality op, dat een ongelooflijke rits platen uitbracht waaronder de eerste echte bootleg van een live-concert: Live’r Than You’ll Ever Be van The Rolling Stones. Het label ging uit elkaar, herenigde, en ging opnieuw uit elkaar voordat Douglas halverwege de jaren zeventig besloot om er uit te stappen, naar Nieuw-Zeeland te verhuizen en schrijver te worden. Op dit moment blogt hij over zijn ervaringen in de bootlegbusiness en dat is ook hoe ik hem heb gevonden.
Vice: Je groeide op in Californië, toch?
Ken Douglas: Ja.
Vertel me eens hoe je überhaupt betrokken raakte bij de platenindustrie. Je kwam vanuit de meer legale hoek, toch?
Het is met de paplepel ingegoten. Mijn vader was eigenaar van Saturn Records, dat in die tijd de grootste inkoper van grammofoonplaten ten westen van de Mississippi was. Althans, dat is wat iemand tegen mij vertelde.
Dus je bent een beetje het familiebedrijf ingerold?
Klopt.
Hoe regelde je de distributie van je eerste bootlegs?
Dub had een vriend die was gedeserteerd uit het leger, net op het moment dat hij naar Vietnam zou worden uitgezonden en hij verkocht ze toen voor ons. Hij maakte echter een fout. Hij verkocht ze allemaal bij de eerste plek waar hij kwam, Vogue Records aan de Hollywood Boulevard. De eigenaar van de winkel, een gast die Bill Bowers heette, kocht ze allemaal. Hierop bedachten we dat we misschien wel goud in handen hadden.
En jullie begonnen direct nieuwe exemplaren te persen?
Nou, ja. We persten nog 300 exemplaren en verkochten ze, en daarna deden we er nog 300.
Julie wisten vrijwel meteen dat dit iets was waar jullie mogelijk geld aan konden verdienen?
Nee. Want we waren kinderen, zie je. Ik was geloof ik iets van 20 of 21? En Dub was net zo oud, misschien een jaar jonger. We dachten dat wat we deden strafbaar was. We dachten dat we in problemen zouden komen en de winkels kenden ons, dus lieten we iemand anders de winkels rond gaan. Ondertussen hadden de gasten die het grote geld verdienden – de gasten die hun bootleg-label na ons begonnen… zij hadden advocaten. Zij kwamen erachter dat het niet in strijd met de wet was, omdat het nog nooit eerder was gedaan. En dus wisten ze zichzelf te bedruipen met deze dingen.
Het lijkt erop alsof er in die tijd een gouden wisselwerking was tussen enerzijds een hoop artiesten als Dylan, The Beatles, en de Stones waar mensen heel erg geobsedeerd door waren en anderzijds het soort wetten die soepel genoeg waren om goed weg te komen met iets als bootlegging.
Yeah. Maar dat wisten we in die tijd niet. Ik probeer me te herinneren hoe het was toen ik 21 jaar oud was. Aanvankelijk deden we het niet voor het geld. We deden het aanvankelijk om zelf kopieën van de opnamen te hebben, en toen kwamen de Stones en Dub wilde ze opnemen. Dus kochten we een tape recorder van Uher en een microfoon van Sennheiser. We verdienden niet bijster veel geld aan de Dylan-bootleg Great White Wonder. Maar we verdienden wel een hoop aan Live’r Than You’ll Ever Be van de Stones.
Was dat het moment dat de zaken voor jullie een vlucht namen?
Ik weet niet. Ik weet niet wat ‘een vlucht nemen’ is. Een vlucht nemen ten opzichte van wat? Ik bedoel, het was goed voor ons. We deden het prima, want we waren nog jong. Dus, weet je, de platen vlogen eruit. We verdienden geen miljoenen dollars en zelfs geen duizenden dollars. Maar we deden het prima. We verdienden de huur. We kochten geen huizen of zo.
Ik las in een van de posts van je blog dat Dub het redelijk breed had…
Ok, ja. Ik ben nu ouder en ik weet nu echt wat ‘het breed hebben’ is. We dachten dus dat we op grote voet leefden. We hadden nieuwe auto’s. Ik had een motor. Maar ik werkte nog steeds. Ik heb mijn werk jarenlang nooit opgezegd. Toen ik die bootlegs maakte, werkte ik de hele tijd bij Saturn en ik was sociaal-maatschappelijk werker. Ik ben blijven werken tot, ik weet niet, ’75 of ’76. Ik wil niet dat je een verkeerd beeld krijgt. Ik wil niet dat je denkt dat we miljoenen verdienden.
Ik denk niet dat je miljoenen verdiende, maar het leek er wel op alsof jullie het als jonge dudes redelijk voor elkaar hadden.
Yeah. We waren in staat om een paar keer naar Europa te gaan. We deden het redelijk.
Je zei eerder dat jullie er niet voor het geld zijn ingestapt, maar dat het liefdadigheidswerk was.
Nou, voor Dub was het liefdadigheidswerk. Voor Andrew, die er later bij kwam, was het liefdadigheidswerk. Ik denk niet dat het liefdadigheidswerk was voor sommige andere bootleggers zoals Rubber Dubber of Norty en Ben. Ik denk dat zij het voor het geld deden. Hoewel Scott echt van de muziek leek te houden, dus misschien moet ik hem hier niet noemen. Hij was een Rubber Dubber-gast. En voor mij was het uiteindelijk geen liefdadigheidswerk, maar ging het om geld.
Herinner je op welk moment het echt om het geld begon te gaan voor jou?
Ja, in ’72 en ’73. Maar in tegenstelling tot de meeste anderen die het deden wist ik altijd – en ik heb dit in een paar blogs al geschreven – wist ik altijd dat ik aan het stelen was. Ik heb nooit een seconde gedacht dat we het recht hadden om gratis muziek weg te geven aan de mensen.
Aan de andere kant kleeft er aan dat hele bootleg-gebeuren het imago van vrijbuiters. Je zorgt ervoor dat de platenmaatschappijen en zelfs de muzikanten zelf niet bepalen wat er wordt uitgebracht. Als de fans een live album willen of als de fans Dylans The Basement Tapes willen, bevrijden de bootleggers als het ware de muziek voor de fans. Is dat een geromantiseerde voorstelling van de situatie, of speelde dat element wel mee?
Je slaat de spijker op z’n kop voor zover het Dub en een hoop andere mensen betreft. Je slaat de spijker op z’n kop. Dub was echt een grote fan van Bob Dylan.
Je merkte op dat je bij Saturn werkte terwijl je je nog steeds met bootleggen bezighield. Hoe was het om dat dubbelleven te leiden, om tegelijkertijd aan beide kanten van de industrie te werken – zeg maar de legale en de ondergrondse kant?
Nou, in het begin was het heel vreemd. Er werd bijvoorbeeld steeds gezegd dat ze ons probeerden te pakken, maar onze sales-man van Capitol wist wie we waren en wat we deden en hij zei nooit iets. Een flink percentage van de bezoekende klanten die zelf platenzaken hadden wisten wie we waren en zeiden niets. Ik denk dat je hen de coole gasten kunt noemen – degene die zaken hadden waar je platen voor $2.99 kocht. In die tijd gingen platen voor zo’n $4.98 over de toonbank en er waren een hoop – ik wil ze eigenlijk geen hippies noemen, maar jonge mensen… hippies, misschien dan toch – die platenzaken hadden en platen voor $2.99 verkochten. Zij verkochten onze soort platen. Zij wisten wie Dub en ik waren en zij hielden hun mond. Meer een meer mensen wisten er vanaf en ze zeiden nooit wat. Het was niet echt alsof we dubbellevens leidden.
Heb je het idee dat je sommige kennis, vaardigheden en contacten die je opdeed in de legale business kon toepassen op bootlegs?
Nee.
Het voegde niet echt iets toe?
Nee. Na de tweede plaat, na Live’r, liepen we gewoon opnamestudio’s binnen. Toen we Stealin’ maakten [hun tweede Dylan-bootleg], liepen we gewoon een opnamestudio binnen. Die gast daar zette het op en hij schreeuwde: ‘Dit is Bob Dylan’. Iedereen – alle producers en iedereen in de studio – stopte waar hij mee bezig was en kwam meeluisteren naar de door ons gemasterde plaat, weet je? En iedereen vond het erg cool. Iedereen daar wist dat we niet voor Bob Dylan werkten.
Het lijkt erop alsof er wat het persen betreft veel op de bonnefooi moest gebeuren om uit te vogelen hoe en waar je de platen kon laten persen.
Niet echt. Het was vrij makkelijk. In die tijd zeiden eigenaars van distributiemaatschappijen in feite: als die gast niet méér van mij steelt dan ik aan hem verdien, kan ik het me niet veroorloven hem te ontslaan. Ik wil niet zeggen dat iedereen een dief was, maar vrijwel iedereen was een dief. We liepen gewoon een platenfabriek binnen en zeiden: dit is wat we hebben. Zij maakten het dan en wij betaalden hen – contant.
Dat klinkt als een enorm gedurfde actie.
Nou, de eerste platenfabriek die we benaderden heette Wadell’s. Zij persten dingen van Verve en Disney. We hadden een vriend naar binnen gestuurd om hen te ontmoeten, want zelf waren we gewoon bange kinderen. Ons mannetje dat met hen praatte had helemaal niets met de platenindustrie te maken. Hij had niets te verliezen, bedacht hij. Dus ging hij daar naar binnen en zei dat ze vertelde later dat ze de mal hadden gemaakt, de plaat opzetten, er naar luisterden en – dit was de live-plaat van de Stones – het tegelijkertijd met Let It Bleed persten. Ze moeten wel niet heel slim zijn geweest om niet door te hebben dat het The Rolling Stones waren op onze plaat. Dat is wanneer we er achter kwamen dat we dit ook zelf zouden kunnen doen.
Wow. Jullie gingen gewoon naar binnen en persten die dingen op een goede manier – helemaal legaal.
Live’r is letterlijk naast Let It Bleed geperst. Maar de enige fabrieken die we niet gebruikten, waren uiteraard die van Capitol en Columbia.
Waren er in die tijd veel onafhankelijke platenfabrieken?
Ja, die waren er. Zijn die er nu nog? Wij gebruikten Wadell, Jack Brown, Louis, Korelich… we gebruikten er eentje aan de Hollywood Boulevard waarvan ik me de naam nu even niet herinner.
Ik weet dat er een bepaald moment was waarop er wel wat autoriteiten in jullie operatie waren geïnteresseerd, nietwaar?
Klopt. Er liep zo’n gast rond, Pete nog-wat, wiens naam ik me niet herinner. Hij was een deurwaarder die voor Columbia Records werkte, en hij zat achter ons aan. Columbia bracht direct een statement naar buiten in het tijdschrift Billboard, waarin ze zeiden dat het niet Bob Dylan was, maar iemand die net als Bob Dylan klonk. Nou, uiteraard geloofde niemand dat. Hetzelfde zeiden ze over een hoop andere mensen. Daarna huurden ze deze gozer Pete in om ons op te sporen en te vinden, zodat ze ons konden aanklagen. Hij dagvaardde me trouwens wel degelijk, maar hij deed dat met een dagvaarding met Dubs naam erop. Het was niet rechtsgeldig. Buiten dat geval waren we in die tijd gewoon heel voorzichtig, zeg maar.
Echt?
Nou, dat is eigenlijk een leugen. We waren niet echt voorzichtig. Sommige van ons waren niet echt voorzichtig. Dub gaf een interview weg aan Rolling Stone, het tijdschrift.
Dat was of dapper of stom.
We waren kinderen. We wisten niet beter. Volgens mij was het met Greil Marcus – maar hij gaf Dubs naam op als Vladimir.
Dat is wel een erg doordachte dekmantel. Gewoon een andere naam opgeven.
Nou, ja, want de maand erna kwamen ze aan zijn werkelijke naam. Wij dachten dat dat een probleem zou vormen als er deurwaarders naar Dub zochten. Dus ik vertelde aan Ben Goldman, die een winkel had genaamd Ben’s Records en die de zwager was van Norty Beckman – onze grootste concurrent – dat Dub en zijn vriendin nog steeds in Vancouver woonden en daar een benzinestation hadden geopend. En jahoor, daar stond het volgende maand in Rolling Stone: Dub Taylor was naar Vancouver verhuisd en had een benzinestation geopend. Dat was de enige gast aan wie ik het had verteld.
Dat is nogal sneaky. Jullie waren echte hippies in die tijd?
Ja, dat waren we. We dachten eigenlijk: ‘Fuck díe gast!’
Het is vrij algemeen bekend dat de platenindustrie met haar grote labels altijd al erg corrupt en een beetje schimmig is geweest.
Nou, ik ken veel verhalen waarin ze artiesten een kutstreek leverden. Ik zal daar niet dieper op ingaan, maar ik heb veel verhalen. Ik heb de labels nooit gemogen. Ik vond ze allemaal dieven. Maar nogmaals, dat impliceert dat wij ook dieven waren.
Maar jullie kwamen er voor uit dat jullie dieven waren.
Het verschil is dat zij pakken droegen en kort haar hadden, terwijl wij heel lang haar hadden en Levi’s en cowboylaarzen droegen.
De labels voelden zich niet te goed om dingen van de bootleg-industrie over te nemen.
De Stones zouden Get Yer Ya-Ya’s nooit hebben uitgebracht als Live’r er niet was geweest. Live at Leeds van The Who ziet er precies uit als een bootleg. Kijk naar Bob Dylan. Ben je bekend met The Bootleg Series? Mijn vader zond me exemplaren van het eerste deel, en hij vinkte alles af waarvan hij dacht dat het van ons was overgenomen.
Er zijn ook dingen als B-sides, rarities-verzamelingen en zelfs boxsets die oorspronkelijk als bootleg verschenen en zijn overgenomen door de legale labels. Het lijkt alsof bootleggers de platenindustrie uiteindelijk evenveel hebben geholpen als beschadigd.
Scott Johnson, van Rubber Dubber, vertelde me ooit dat hij een vriend had die bij Warner Bros. werkte. Die vriend zei dat hij Rubber Dubber beschouwde als een onbetaalde reclametak van Elektra / Atlantic.
Hoe waren de reacties van artiesten op jullie bootlegs?
Neil Young zei iets denigrerends over een bootleg die we van zijn materiaal hadden gemaakt, en dus stopten we ermee. We dachten: fuck hem. Die gast wordt niet meer gebootlegd door ons.
Jullie hadden behoorlijk veel lef.
Keith Richards liep winkels in Berkeley binnen om de bootlegs op te kopen, en veel bootlegs werden gesigneerd door Mick Jagger. Ik heb een foto van een door Mick Jagger gesigneerde Live’r. Kortom, veel van de artiesten leken het wel leuk te vinden. Ze beseften dat ze veel geld verdienden met concerten, dat bootlegs hen niet veel geld kostten, en dat het goede publiciteit is.
Waren er momenten dat de zaken erg riskant of eng werden?
Mijn vader had een flink percentage van zwarte platenzaken in Los Angeles gefinancierd. Aangezien ik vrijwel alle eigenaars van die winkels kende en ik wist wat er te koop was, kwamen we op het idee om de nummer 1 en nummer 2 singles te pakken – ik geloof dat het ‘The Onion Song’ van Marvin Gaye en nog iets anders waren – en die back to back uit te brengen. Toen huurden we een mannetje in, want Dub en ik wilden niet langs de zwarte winkels trekken aangezien ze ons kenden en we niet wilden dat ze wisten dat wij het waren. Dus huurden we een mannetje in om naar die winkels te gaan en die platen te verkopen. We dachten dat we snel een hoop geld konden verdienen, want het kostte maar 15 of 16 cent om die dingen te persen. Niemand wilde het kopen. Ze wisten allemaal dat het een slechte zaak was. En toen waren er van die gangsterfiguren, die meteen wisten wie het had gedaan. Binnen drie of vier dagen kwamen ze naar het huis van mijn vader. Mijn vader zat te eten toen die gangsters binnen kwamen. Toen hij protesteerde, sloegen ze hem in zijn buik met de steel van een bijl en vertelden ze hem dat ze zijn zoon zochten en hem per se nu wilden zien. Mijn vader regelde een afspraak. We zouden ze ontmoeten en zij wilden al het geld dat we hadden verdiend. Maar we hadden niets verdiend omdat geen van die zwarte winkels die platen kocht. Daar waren ze te slim voor. In die tijd hadden zwarte mensen nog niet dezelfde rechten als blanke mensen, en dus konden ze niet op dezelfde steun van de wet rekenen. Daarom moesten ze de zaken in eigen hand nemen. En dat is precies wat ze deden. Ze zeiden mijn vader dat ze alle persen wilden, alle platen en al het geld dat we hadden verdiend. Dub en ik vonden dat we duizend dollar moesten inzetten, zodat ze dachten dat we iets hadden verdiend en dat aan hun gaven.
Hoe was die ontmoeting?
Het was achterin het huis van mijn vader. Ikzelf en mijn twee broers hadden kleine gaatjes in de muur gesneden en we hadden pistolen op die gasten gericht toen ze binnen kwamen. We waren gewoon domme, bange kinderen.
Wat is, terugkijkend op je ervaringen met bootleggen, het overheersende gevoel over wat je toen deed?
Nou, ik ben naar Nieuw-Zeeland verhuisd en schreef een boek, Ragged Man. Het is een horrorverhaal, waarin een monsterlijke vent allemaal bootleggers vermoordt. Dat is hoe ik het uit mijn systeem heb gekregen. Ik heb ze net zes maanden lang allemaal lopen vermoorden. En toen het boek uitkwam, zei het niemand wat, want mensen die horrorverhalen lezen, bekommeren zich niet om bootleggers. Ik heb het een tijdje terug opnieuw uitgebracht.
Ergens is het zonde – tenminste, dat vind ik – dat er niet meer het zelfde soort bootleggen bestaat als jij toen deed. Nieuwe bootlegs worden meestal via het internet uitgewisseld, maar er gaat niets boven het sensationele, tastbare gevoel van een bootleg op vinyl in je handen. Ik bedoel, het feit dat je weet dat je het eigenlijk niet zou mogen hebben, maakt het zo veel cooler.
Ja, maar de mensen die de muziek gratis wilden weggeven hebben gewonnen. Er bestaat iemand die tapes maakt en naar elke Dylan-show ter wereld gaat – dus hij moet een hoop geld hebben – en hij doet het heel goed en biedt ze gratis online aan. Hoe kun je daarmee concurreren? Nu kun je gewoon alles wat je wilt gratis krijgen.
Onuitgebracht materiaal en live shows verschijnen tegenwoordig steeds online. In dat opzicht is – naast het hedendaagse file sharing en de manier waarop platenlabels veel van jullie concepten hebben overgenomen – jullie queeste door de geschiedenis gerechtvaardigd.
Zo heb ik er nog nooit over nagedacht, maar dat klopt wel een beetje. Want als ik zie hoe slecht de platenmaatschappijen het nu doen, kan ik een lach niet onderdrukken.
TEKST: MILES RAYMER
VERTALING: TIMME HOS
Meer
van VICE
-

Photo by Erika Goldring/WireImage -

-

(Photo by Ethan Miller/Getty Images) -

Photo by Steve Jennings/Getty Images