BOEKENWEEK – YORGOS DALMAN

Het is nog steeds Boekenweek. Ook wij kwamen natuurlijk het Boekenbal niet in en waagden ons daarom maar naar het Bladenbal, waar het thema van dit jaar duidelijk werd: Humor (zie het filmpje). Maar goed, we hebben nog meer geniale literaire stukken gevonden. Dit keer het verhaal New York van Yorgos Dalman. Een literaire klassieker naar onze bescheiden mening. Geniet!

De stad is nooit hetzelfde. Elke nacht is een nieuwe nacht. De stad wentelt en draait en opent zich steeds weer op andere plaatsen. Steegjes ontstaan, straatjes verdwijnen. Je kunt hier een eeuwigheid lang op dezelfde plaats uitkomen zonder ooit dezelfde richting te zijn ingeslagen.
Ik houd me merendeels op in het centrum, sla zo hier en daar wat straten in. Ik loop op de hoek van 42ste Straat een oude bekende tegen het lijf. Hij ziet bleek en mager en ruikt naar goedkope crack. Hij herkent me nauwelijks. Zijn neus is half weggevreten. Hij heeft het koud, zegt hij. Een eigenaardige gloed van de neonverlichting valt over zijn lichaam. Lazarus, als uit de goot herrezen.

Videos by VICE

“Zal ik u iets zeggen over democratie, mijnheer?” vraagt hij. Zijn stem schuurt langs zijn half weggeteerde amandelen.
“Nee, dank u,” zeg ik. “Niet vandaag.”
Ik vervolg mijn weg, mijn draagbare radio zoveel mogelijk beschermend tegen het weer en tegen de verraderlijke adem van deze asfaltjungle.

Ik loop de The American scène binnen.
“Nice guy” Louie staat achter de tap. Louie draagt zo’n klein wit rechthoekig mutsje. Altijd wit, geen spatje erop. Zijn grote, zwarte handen schieten routineus over en weer. In het keukentje staat zijn vrouw. De geur van aardappels en vlees komt me tegemoet. Een snelle hap voor de haastige passant. Maar de mensen die in de kleine uurtjes komen hebben geen haast. Die hebben alle tijd van de wereld. Iets anders hebben ze niet.
Ik zet mijn radio op de bar en bestel een bourbon.
“Zonder ijs?” vraagt Louie.
“Zoals gewoonlijk.”
Hij kijkt me een ogenblik niet begrijpend aan. “Wat moet een vent toch met een gettoblaster en een stropdas?”
“Muziek luisteren en er goed uitzien.”
Louie buigt zich iets naar me toe en ruikt overdreven. “Je hebt anders in geen weken een fatsoenlijk bad gehad.”
“Je hoeft niet persoonlijk te worden.”
“Waar ben ik hier anders voor, kerel,” lacht hij. “Toch niet alleen voor de uitsmijters en de softdrinks?”
Er komt een nogal slonzig geklede man binnen. Hij gaat naast me aan de bar hangen. Hij bestelt twee Millers, een voor zichzelf en een voor de jongedame die hij bij zich heeft. Ik bekijk haar vanuit mijn ooghoeken. Een pro, zonder meer. Maar nog jong. Te jong haast. Ze zit er afwachtend bij. Ik zie haar hier vaker. Meestal zit ze alleen, aan het einde van de bar.
De man begint met zijn handen aan haar haar te zitten. Ze laat het niet toe. Een regel van de straat. Raak nooit hun haren aan voor je betaald hebt… De man geeft het niet zo gauw op. Weer proeft hij met zijn rauwe vingers haar korte, gestileerde lokken. Weer die omtrekkende bewegingen. Weer die afstand.
De man fluistert iets in haar oor. Dat irriteert haar zichtbaar. Zichtbaar voor mij, niet voor hem. Er valt een naam. Alice, zegt de wezel. Haar naam is Alice. Als de tragische heldin uit een beatnikroman.
De kleine wezel wendt zich nu ineens tot Louie en mij. “Ik heb een callgirl gekend, meer een yellgirl trouwens als je er maar goed tegenaan ging met haar. Ze was kind aan huis bij de witte boorden, de extra gestikte en dubbel gestoomde.” Hij knikt bedachtzaam. “Ik kan je vertellen, die chick kon in vierentwintig uur het hele Bruto Nationaal Product bij elkaar pijpen en als ze erbij glimlachte, kreeg ze nog fooi toe.”
Ik draaide mijn hoofd demonstratief de andere kant op. Maar mijn gehoor was pijnlijk in orde. Teveel. Doofheid kon op sommige momenten een zegen zijn van boven.
“Ik zweer het je,” ging de wezel verder. “Ze kon haar lippen tuiten als de zuiger van een 1200 PK motor. Onze hoofdstad stond droog wanneer het vrijdagavond was.” De wezel neemt een adempauze en meteen nog maar een Miller. “Maar een ziektekostenverzekering en een fatsoenlijk pensioen, ho maar. Weet je wat ze er uiteindelijk aan overgehouden heeft, na een leven lang dienen van haar vaderland?” “Wat?” vroeg Louie.
De kleine wezel glimlacht en neemt nog een slok. “Platjes, vriend. Platjes en herpes. En een permanente staanplaats in Verbrande Johnny”s trailerpark. Stel je voor. Ooit was je het boegbeeld van de Amerikaanse natte droom. En nu ben je oud, versleten en vergeten. En je voedt je vier kinderen. En je betaalt je blauw aan tandheelkunde. En ondertussen maar krabben tussen die benen, bij het krieken van het ochtendgloren…”
Ik laat het betoog grotendeels langs me heen gaan. Ik zit met mijn gedachten heel ergens anders, en ik voel me betrapt als ik me dat realiseer. Alice, zij is er een uit duizenden. Maar als je geblinddoekt voor al die duizenden zou staan, zou je haar er zo uit pikken. Je voelt haar adem tegen je gezicht. Je voelt haar zo veel meer dichter bij je dan de overigen. Je voelt dat omdat ze bang is.
“Bij de vleet kun je ze krijgen en bij de vleet kun je ze weer zien gaan,” gaat de kleine wezel intussen onverstoorbaar verder. “Zo erop en zo eraf en wat hebben ze je gegeven voor die tien minuten? De schijn van bevrediging, de wil om misschien nog een dag langer te leven.”
Ik leg onwillekeurig mijn hand op mijn radio.
“Kom jij nu maar eens even met ons mee, schatje,” zegt hij tegen Alice. “Veilig met ons. Al dat ongure volk “s nachts op straat. Daar is niks mee van doen.”
Alice staat op in een routineuze beweging en laat zich gewillig mee leiden. Ze verlaat de zaak en kijkt niet meer naar ons om, ook dat is routine bij haar. Louie en ik blijven alleen achter.
“Zo’n lekker ding, hè” vraagt hij me.
Ik kijk de andere kant op.
“Ik heb je wel zien gluren, jongen.” Hij duwt speels met zijn elleboog tegen de mijne aan. Ik kijk op.
“O, ja? Heb je dat?”
“Ik neem je niets kwalijk, jongen, zo’n wiplustig kontje.” Er viel even een stilte. Toen vroeg Louie me: “Wat doe je hier nou eigenlijk, jongen?”
“Wat bedoel je?”
“Kijk naar hoe je eruit ziet in je nette outfit en je verkoperscoupe. Je past niet in het
plaatje! Bij welk bankfiliaal werk je? En op welke verdieping? Je begeeft je te midden
van het scum van de straat op tijden die voor jou niet hoeven te bestaan.”
“Vanwege de muren, Louie,” zeg ik.
“De muren, ach ja. Die verdomde muren. Zijn ze er nog steeds?”
Ik knik en zet met een harde klap mijn glas op de counter. “Ze zijn er nog steeds.”

Ik verlaat Louie”s zaak en slenter wat over straat. Als ik wil oversteken komt zojuist de wezel een steegje uitgelopen. Voorbij de muren en het straatlicht hoor ik het omvallen van een vuilnisbak. Ik besluit te gaan kijken. Alice ligt tussen de vuilnis, opgerold in een dilettante foetushouding. Ze proeft bloed. Als ze me ziet staan, veegt ze haar tranen weg.
“Alleen kijken gaat je ook kosten, sukkel!”
Ik wil op haar toelopen, maar ze hijst zichzelf al overeind en strompelt langs mij heen de straat op. “Wacht even!” wil ik zeggen. Maar ik zeg slechts: “Hé!”
Ze draait zich om, lippen met vegen, verlopen mascara.
“Wacht even,” zeg ik. Ik trek mijn portemonnee.
Maar zij haalt demonstratief haar neus op en spuugt op de grond. “Ik ben net afgewerkt, zoals je wel kunt zien, fucking weirdo!”

De hele stad staat op springen. Stoom sist van de daken en uit de regenpijpen. Het water dampt van het asfalt en maakt de straten heiig. En temidden van alles duikt een naam op. Een onbekende naam. Mijn naam. Hij is daar. Hij is het gefluister van oor tot oor. Hij huist in de anonieme blikken die gewisseld worden op de hoek van de straat. Hij is de prooi van gegis en vervloekingen. Maar hij lacht wanneer het regent en de seconden die nog resten langzaam wegspoelen.

Zoveel is er om niets te doen geweest. Wolken jagen gierend boven ons. Alles is versteend. En het is enkele miezerdagen later.
Barvliegje Martha zit in aan haar tafeltje bij het raam, de plek waar zij patent op lijkt te hebben. Afwezig staart ze naar haar bord chili. Ik bekijk intussen Louie in zijn witte outfit. “Je lijkt op een arts.”
Louie lacht en schudt zijn hoofd.
Ik kijk hem vragend aan. “Heb ik dat al eens eerder gezegd dan?”
“Zo wat honderd keer.”
Ik knik en kijk in mijn glas. “Dat is veel.”
“Een arts in een mortuarium,” vult Louie aan. “Elke nacht bevind ik me tussen de doden.”
Ik kijk op. “Vind je?”
Met een doekje gaat hij over de bar. “Op dit tijdstip leeft niemand, vreemdeling.”
“Louie, je zit vol met shit,” mokt Martha vanachter haar glas wijn.
Louie buigt even vriendelijk maar wordt met een middelvinger bedankt.
“Alleen omdat je me volgooit met goedkope huiswijn en chili van vorige week betekent dat nog niet dat je zomaar in mijn broekje mag.”
“Nee,” zucht Louie met een knipoog naar mij. “Dat zal dan wel niet.”
“En kijk toch eens naar die gek daar! Met die verdomde radio van hem! Je bent toch niet zo negerrapper van Pleasant Avenue! Kijk eens al die krassen.”
“Ja, hoe komt dat toch?” vraagt Louie me vermakelijk.
“Hoe komt toch wat?”
“Zo’n nette kerel, en dan zo’n ingeblikte radio?”
Ik haal mijn schouders op. “Komt door de stad.”
“Door de stad?”
“Vroeg of later loop je wel ergens tegenaan.”
Louie lacht. “Heb je de krant gelezen?”
“Ik lees geen kranten.”
“Heb je het gehoord dan?”
“Ik hoor alleen maar ruis de laatste tijd. Statische ruis.”
Louie schuift een bourbon naar me toe. “Paar dagen geleden. Prostituee dood gevonden op straat.”
Martha mokt vanachter haar chili. “Waar wil je dode prostituees anders vinden?”
“Gevallen waarschijnlijk, van hoog,” gaat Louie verder. “Of gesprongen…”
“Of geduwd,” grijnst Martha.
Louie schraapt zijn keel, alsof hij er een formeel journaalbericht van wil maken.
“Hier vlakbij. Net zestien jaar geworden. Geen familie. Geen vrienden. Niemand om haar kist even aan te raken. Niemand om bij de plaatselijke krant de eerste regels van een overlijdensadvertentie te dicteren. Geen bloemen.”
“Het klinkt alsof je er echt om geeft.”
“Zou ik dat dan niet moeten doen?”
Ik speel met het glas in mijn handen. “Dan ben je een van de weinige.”
“Bullshit!”
Ik kijk Louie recht in zijn ogen. “Wou jij beweren, Louie, dat de mensen buiten op straat twee keer omkijken als ze gegil horen vanuit een steegje, of geschreeuw van ergens drie hoog achter? Het gaat al eeuwen zo. De generaals spelen poker terwijl ze duizenden soldaten tegelijk de loopgraven in sturen. Soldaten, Louie. Mannen, echtgenotes, broers en vaders. Denk je dat de generaals zullen neerknielen bij hun kisten? Bij soldaten van wie ze niet eens hun naam kennen, hoogstens hun rang en baraknummer?”
“Wat hebben soldaten hiermee te maken?”
“Vroeger waren het soldaten, Louie. Nu zijn het hoeren. Loopgraven, steegjes. Salueren, knielen. Ze vechten voor ons leven, en sterven, en eindigen ergens op de bodem van een naamloos graf.”
“Alé, niet zo dramatisch, jongen!” Louie gooit iets te hard de handdoek van zijn arm. “Dit is Amerika! Dit is nu! Dit is niet gisteren.”
“Ach kom op, Louie. Als iemand ergens de eerste druk van Catcher in the Rye of On the road met een mes bewerkt, schreeuwt de hele natie moord en brand en wordt De Stoel klaargezet. Maar als iemand zijn naam staat te kerven in het gezicht van een hoertje op de hoek van 34ste Straat, denk je dan echt dat er iemand omkijkt?”
“Zo negatief kun je niet zijn.”
“Dat moet je zijn, Louie, wil je het hier overleven.”
“Bullshit again!”
“Wil je beweren dat die dingen niet gebeuren?”
“Dat zeg ik niet.”
“Nee, men zegt zo veel niet. Dat is het ‘em juist. Luister. Op Abravolaan vind je Jimmy Alledag”s Paleis der Lusten. Een tweederangs bordeel vol geïmporteerde minderjarige chicks. Latino”s, Indiase, Thaise, noem maar op. Op het menu worden ze bonusmeisjes genoemd, geserveerd als dessert. Op het Refnoplein, hemelsbreed maar een halve kilometer daarvan verwijderd, vind je de grootste bibliotheek van de stad. Als wij als inwoners van deze fijne, hardwerkende stad moesten kiezen: welk van deze twee culturele faciliteiten moet met benzine worden overgoten en met inhoud en al de fik in gaan, denk je dan dat we ook maar twee seconden hoeven na te denken? Denk je dat wij mensen van Het Woord ook maar iets geven om die paar gillende meisjes in hun slipjes en G-strings?”
Louie pakt zijn handdoek weer op. Zet uit frustratie wat glazen weg. Zet ze weer terug. Gooit zijn handdoek weer neer. Leunt dan op zijn handen en buigt zich iets naar me toe. Knikt dan, langzaam, op een manier alsof hij heeft gebluft bij poker en nu betrapt is. “Misschien… misschien heb je gelijk, vreemdeling. Misschien… Ik weet het ook niet meer.”
“Je bent niet de eerste die het niet meer weet.”
Louie keek me in ongeloof aan. “Maar is dit dan echt ons leven, jongen? Achterom kijken en bidden, in plaats van vooruitkijken en lachen? Is dat de boodschap die ik ons kind moet meegeven als ik op mijn sterfbed lig?”
“Ik vermoed dat zij er meer aan heeft als je het haar wat eerder vertelt. Het liefst op de leeftijd dat je nog kunt joggen en hamburgers serveren. Maar kinderen zijn slim, ze weten de dingen tegenwoordig vaak eerder dan hun ouders. Je mag denken dat het een zegen is voor ze, maar te vroeg iets weten is vaker een vloek. Te laat iets weten is een luxe, en luxe is iets van vorige week.”
Louie wil iets zeggen maar bedenkt zich. Martha kijkt intussen naar de krant die Louie voor zich heeft liggen. De krant met het bericht van het onbekende meisje en haar fatale val op de kruising van 9de Dwarsweg en Hoofdstraat.
“Die is van eergisteren, Louie.”
“Dat maakt het nieuws niet minder erg, Martha.”
“Maar wel gedateerd.”
“Wat maakt het uit?” vraag ik. “Het idee dat elke volgende dag daadwerkelijk iets nieuws brengt is een illusie. De krant is alleen goed genoeg voor de cartoons en het weerbericht.”
Uit een van de luidsprekers achter de counter klinkt een zwoele soulstem. Zwarte vrouw, stel ik me voor, opgestoken haar, een au de toilet van whisky en coke, kleine rokerige zaaltjes. Een piano op de achtergrond. Een contrabas. Rauwe, aarzelende percussie met van die metalen borstels.
Ik kijk naar buiten. De regen is opgehouden. Ik sla mijn bourbon achterover en het valt me opeens op hoe het licht zich aan Louie”s hoofd hecht. Als een aureool.
Ik sta op en betaal. “Ik vergis me,” zeg ik. “Je bent geen dokter. Je bent een engel.”
Louie tikt met zijn vingers tegen zijn hoofd als groet. “Altijd, vreemdeling. Altijd.”
YORGOS DALMAN

Thank for your puchase!
You have successfully purchased.