Food by VICE

Wat is een zomer waard zonder bezoek aan een gigantische Franse supermarkt?

Het is nog onzeker of de Fransen deze zomer zitten te wachten op Nederlandse toeristen, dus een beter moment voor een ode aan de hypermarché bestaat niet.

door Wouter van Dijk
20 mei 2020, 3:56pm

Foto via Flckr gebruiker Jean-Louis Zimmermann

Het lijkt erop dat Frankrijk deze zomer niet zit te wachten op buitenlandse toeristen. Jean-Baptiste Lemoyne, staatssecretaris van toerisme én bezitter van de meest Franse naam in de geschiedenis, liet eind vorige week weten dat het onwaarschijnlijk is dat de grenzen opengaan voor recreatieve bezoekers. Begin juni neemt de Franse regering hier een definitief besluit over.

Dit nieuws was een flinke klap in mijn gezicht. Ik had me al neergelegd bij het feit dat ik dit jaar niet zou dineren in de sterrenrestaurants van Lyon of met m’n bleke pens op een superjacht rond zou dobberen voor de haven van St. Tropez, maar twee weekjes kamperen op een Municipal Camping op het platteland van de Vendée klonk in mijn naïeve brein nog steeds erg realistisch.

Dat dit feest nu op losse schroeven staat is akelig om veel redenen, maar zoals bij praktisch alles wat is afgelast of uitgesteld vanwege coronamaatregelen, is al het chagrijn te herleiden naar een terugkerend, etterend en door relatieve welvaart gecreëerd pijnpunt, namelijk: het ongemak wat veroorzaakt wordt als vanzelfsprekendheden pardoes uit je handen glippen.

In principe geldt dit voor alle gewoontes die je hebt – voetbaltraining op dinsdag en donderdag, die twee biertjes in je vaste kroeg op de zaterdagmiddag, op bezoek bij oma op zondagochtend – maar als jij iemand bent die elk jaar op vakantie gaat naar Frankrijk weegt dit extra zwaar, en dat komt naar voren in iets wat iedereen regelmatig doet: boodschappen.

Het klinkt basaal en irrelevant, maar in dat land, eigenlijk na vrijwel elke afslag en rotonde, staan enorme gebouwen die automatisch elke vorm van twijfel omsmelt in geruststelling. Alles komt namelijk altijd goed op het moment dat je uit je auto stapt op de gigantische parkeerplaats van een hypermarché.

Een enorme franse supermarkt
Foto door Flckr-gebruiker Jean-Louis Zimmermann

Voor de mensen (arme, arme zielen) die nog nooit voet hebben gezet in een Franse hypermarché schets ik even de ambiance. Bij het betreden van het pand, wat er van de buitenkant zonder uitzondering uitziet als een kolossale fabriek, loop je eerst door een hal met kleine winkeltjes. Er zijn minimaal twee opticiens, je kunt er een telefoonabonnement afsluiten, parfum kopen, je laten adviseren over een hypotheek en een krant in minimaal zes talen vinden, nog voor je een stap hebt gezet in de daadwerkelijke supermarkt.

Op het moment dat je die stap dan zet, word je onmiddellijk in je gezicht geslagen door een onmiskenbare hypermarché-geur. Het is een merkwaardige melange van goedkoop plastic, gistend stokbrood en de witte uitslag op gedroogd vlees, met daaroverheen de chloor-achtige geur die achterblijft op de plek waar de viskraam altijd staat op het marktplein, nadat die schoongespoten is. Overal waar je loopt, ruik je de zee.

Met die geur als een deken over je schouders, kun je in deze supermarkten praktisch alles kopen wat je wil. Een quad, opblaasbare roeiboten in alle denkbare formaten, vertaalde thrillers van Saskia Noort, onvertaalde thrillers van Saskia Noort, kleding, fietsbanden, vijftig soorten witte bonen in ondefinieerbare vloeistoffen, blikken gekonfijte gans, de lekkerste briochebroodjes, flinke emmers vol salade Piémontaise, stukken vlees gesneden uit vrijwel alle denkbare dieren, stukken vis gesneden uit vrijwel alle denkbare vissen, kreeften, krabben, La Vache Qui Rit met spaarplaatjes van de Franse voetbalselectie, en mayonaise. Mayo, man. Hectoliters van het spul.

De gigantische hoeveelheid keuzes in verschillende producten die een hypermarché biedt is geweldig, maar niet de kern van mijn liefde. Die ligt namelijk meer in de wil om te geloven dat alles wat je ooit nodig zult hebben voor het grijpen ligt, zolang je maar weet waar je moet zoeken, en ik weet waar ik moet zoeken: in Franse supermarkten. Klinkt als zweverig geblaat van een francofiele wellness-goeroe, en dat is het ook, maar het ultieme vakantiegevoel ligt in je over durven geven aan zelfs de meeste pathetische filosofieën.

Wat dit alles extra wrang maakt, is dat de enorme Franse supermarkten de steun van koopgrage toeristen erg goed kunnen gebruiken, want het gaat helemaal niet zo goed met de mastodonten. In een artikel van NRC wordt goed uitgelegd waarom gigantische supermarkten niet meer van deze tijd zijn. Ze werden ooit uit de grond gestampt om een klassiek gezin van twee ouders en minimaal twee koters te voorzien van wekelijkse boodschappen, maar daar hebben de singles van vandaag weinig aan. Bovendien zijn de hypers ook niet bestand tegen de druk van grote webwinkels als het gaat om non-food artikelen.

Elke keer als ik nu mokkend en verplicht achter een Nederlands winkelwagentje loop, waar elke keer dezelfde flessen budgetwijn en diepvriespizza in liggen, denk ik aan de zeeën van onbenutte ruimte in het Franse equivalent. Ruiken aan een gesealde camembert stopt het mentale bloeden even, maar als we dit jaar echt niet rond kunnen banjeren tussen de schappen van een flinke Carrefour of Hyper U, ben ik toch bang dat we een middelgrote provinciestad op moeten heffen om daar een eigen monstersupermarkt te kunnen plaatsen.

Dordrecht of Zoetermeer, of zo.

Tagged:
frankrijk
hypermarche